Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/GHW
Rechtbank Gelderland, 7 oktober 2011
ECLI:NL:RBARN:2011:BT8900

werkneemster/GHW

Eenzijdige wijziging van retourprovisie. Verjaring. Toepassing gewijzigde regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

Werkneemster in sinds 1983 (met een korte onderbreking) in dienst geweest van GHW. Zij heeft sinds 1995 een retourprovisie uitbetaald gekregen over polissen die ten behoeve van werknemers zijn afgesloten. In 2002 is de retourprovisie verminderd tot 75%. In 2006 is de provisie gemaximeerd. Thans vordert werkneemster betaling van achterstallige provisie vanaf 1 januari 2003. Zij stelt dat de provisieregeling zonder haar instemming eenzijdig is gewijzigd.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De provisie is steeds opeisbaar (op zijn laatst) in januari van het jaar volgend op dat waarover de provisie verschuldigd werd. Op grond van artikel 3:308 BW neemt derhalve, op het moment van opeisbaarheid, steeds de verjaringstermijn voor de betreffende premies een aanvang. Op grond van artikel 3:307 BW zijn de provisies over 2003 en 2004 verjaard. De belangrijkste vraag die partijen verdeeld houdt, is op welke basis de aanspraak van werkneemster op retourprovisies moet worden bepaald. GHW beroept zich op de gewijzigde regeling. Werkneemster heeft echter niet ingestemd met de wijziging van de provisieregeling. Het beroep op artikel 7:613 BW en het Wegener-arrest (HR 18 maart 2011, LJN BO9570) faalt, omdat gesteld noch gebleken is dat het bedrijfsreglement, of enige andere collectieve regeling die geldt voor het personeel van GHW, een wijzigingsbeding bevat. Ook het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW faalt, omdat het belang aan de zijde van GHW onvoldoende onderbouwd is. Geoordeeld wordt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de gewijzigde regeling op de arbeidsovereenkomst van werkneemster van toepassing zou zijn.