Naar boven ↑

Rechtspraak

Ondernemingsraad van de Belastingdienst regio Haaglanden / Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst regio Haaglanden
Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8656

Ondernemingsraad van de Belastingdienst regio Haaglanden / Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst regio Haaglanden

Niet verlengen van huurovereenkomst regiokantoor Belastingdienst, brengt niet met zich dat de OR geen wezenlijke invloed meer kan uitoefenen over het voorgenomen besluit tot concentratie van werkzaamheden te Den Haag

In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of de Belastingdienst Haaglanden in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de locaties van de regionale kantoren te sluiten en alle werkzaamheden te concentreren in Den Haag. Het hoofdkantoor van Belastingdienst Haaglanden is gevestigd in het gebouw De Prinsenhof te Den Haag. Daarnaast bestonden er regionale 'toezichtkantoren' te Den Haag, eveneens in De Prinsenhof, Gouda en Rijswijk. De huurovereenkomst te Gouda is opgezegd per eind 2011 en de plannen tot onderbrenging van de locatie Rijswijk te Delft, is gestaakt. Aan de OR heeft de Belastingdienst Haaglanden het voorgenomen besluit tot concentratie van de werkzaamheden in het gebouw De Prinsenhof te Den Haag ter advies voorgelegd. Aanleiding daartoe zijn de voornemens van het kabinet tot grote bezuinigingen binnen de Belastingdienst. De OR heeft negatief geadviseerd. De OR heeft in zijn verzoekschrift ten eerste aangevoerd dat hij geen wezenlijke invloed op het besluit heeft kunnen uitoefenen. Door het feitelijk handelen van Belastingdienst Haaglanden, het opzeggen althans niet verlengen van de huur van het pand te Gouda, het stopzetten van de verdere ontwikkeling van het pand te Delft, zonder dat daarover advies is ingewonnen, ziet hij zich voor een fait accompli geplaatst. Daarnaast acht de OR het onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, dat gekozen is voor onderbrenging van de regiolocaties in het veel duurdere pand te Den Haag.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan niet worden geconcludeerd dat de OR geen wezenlijke invloed op het bestreden besluit heeft kunnen uitoefenen. Daartoe wordt vooropgesteld dat de essentie van het bestreden besluit de verhuizing naar Den Haag van de thans nog in Gouda en Rijswijk gehuisveste onderdelen (toezichtkantoren) van de Belastingdienst Haaglanden betreft, zodanig dat daarmee al de onderdelen van die eenheid op één locatie gehuisvest zullen worden. Uit de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte bescheiden blijkt dat reeds langere tijd het plan bestond het toezichtkantoor te Rijswijk naar Delft te verhuizen. Vast staat dat ten tijde van de adviesaanvrage een pand in Delft was gehuurd. De inrichting daarvan is toen – in afwachting van verdere besluitvorming – aangehouden. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer vloeit uit dit staken van de verdere inrichting van dat pand niet voort dat de ondernemingsraad geen wezenlijke invloed op het te nemen besluit heeft kunnen uitoefenen. Dit is niet anders indien in de beschouwing wordt betrokken dat het huurcontract betreffende het kantoor in Delft in juli 2011 is afgekocht en het pand niet meer beschikbaar is. Immers, het wegvallen van het pand in Delft als alternatief voor de huisvesting in Rijswijk betekent nog niet dat het besluit onontkoombaar is; er kan desnodig opnieuw een pand ter vervanging van de locatie in Rijswijk worden aangehuurd. Van Belastingdienst Haaglanden kan – reeds vanwege de daarmee vermoedelijk samenhangende kosten – in redelijkheid niet worden verwacht dat zij twee mogelijke alternatieve locaties in de lucht houdt, in afwachting van de besluitvorming betreffende de adviesaanvraag. Voor wat betreft het pand in Gouda staat vast dat het reeds langere tijd in de bedoeling lag dat het zou worden afgestoten. Dat de OR hiermee ten tijde van de adviesaanvraag bekend was, is door de OR niet betwist. Op deze gronden volgt de Ondernemingskamer de Belastingdienst Haaglanden in haar stelling dat het opzeggen van de huur van het kantoor te Gouda losstaat van het onderhavige besluit.

Met betrekking tot de vergelijking van de huurkosten te Den Haag en de regiokantoren, wordt opgemerkt dat de Belastingdienst Haaglanden het gebouw te Den Haag voor een langere periode heeft gehuurd en overcapaciteit heeft. Het onderbrengen van personeel uit de regiokantoren brengt geen extra kosten met zich, terwijl het in stand houden van de regiokantoren dat wel doet. De financiële onderbouwing van het besluit, noch het passeren van het door de OR gepresenteerde alternatief geeft aanleiding tot het oordeel dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.