Naar boven ↑

Rechtspraak

Kootwijkerbroek/werknemer
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 17 oktober 2011
ECLI:NL:RBARN:2011:BU3861

Kootwijkerbroek/werknemer

Relatiebeding gedetacheerde werknemer hoefde bij verlenging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet opnieuw schriftelijk te worden overeengekomen. Matiging gefixeerde schadevergoeding

Werknemer is per 6 april 2010 voor bepaalde tijd (tot 5 januari 2011) in dienst getreden van Kootwijkerbroek B.V., een detacheringsbureau. In de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding overeengekomen. Op 3 januari 2011 is de arbeidsovereenkomst verlengd. Nadat de arbeidsovereenkomst op 6 mei 2011 is geƫindigd, is werknemer in dienst getreden van bedrijf X. Thans vordert Kootwijkerbroek naleving van het relatiebeding.

Bij de beoordeling ziet de kantonrechter zich vooreerst gesteld voor de vraag of Kootwijkerbroek zich kan beroepen op het relatiebeding, nu gesteld noch gebleken is dat dit beding bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst opnieuw schriftelijk is overeengekomen. Uitgangspunt hierbij is het arrest Philips/Oostendorp (HR 28 maart 2008, NJ 2008, 503). In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat bij de op 3 januari 2010 overeengekomen verlenging van de arbeidsovereenkomst, althans de tekst van het relatiebeding, als bijlage was bijgevoegd en evenmin is gesteld of gebleken dat werknemer zich bij die gelegenheid (opnieuw) expliciet akkoord heeft verklaard met de gelding van het relatiebeding. Op grond van jurisprudentie van verschillende gerechtshoven staat dit niet aan de geldigheid van het relatiebeding in de weg (Hof Amsterdam 25 januari 2011 en 24 mei 2011, JAR 2011/149 en 166 en Hof 's-Hertogenbosch 7 juni 2011, JAR 2011/206). Behoudens de duur van het dienstverband is de arbeidsovereenkomst verder niet gewijzigd, zodat het beding niet opnieuw overeengekomen hoefde te worden. De gefixeerde schadevergoeding wordt gematigd tot het wettelijk minimum ex artikel 7:680 lid 5 BW. Werknemer was namelijk niet tevreden over het bedrijf waar hij was gedetacheerd en aannemelijk is dat Kootwijkerbroek, indien de ontevredenheid niet kon worden weggenomen, zou hebben bewilligd in een eerder einde van de arbeidsovereenkomst.