Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland, 19 oktober 2011
ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3431
werknemer/Alfasan Diergeneesmiddelen BV
Werknemer is in 1984 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Alfasan. In het Arbeidsvoorwaardenreglement is bepaald dat de arbeidsovereenkomst op 65-jarige leeftijd eindigt. In geschil is of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd toen werknemer in september 2011 de 65-jarige leeftijd bereikte. Werknemer stelt van niet en vordert wedertewerkstelling. Hij voert aan dat hij nooit met het Arbeidsvoorwaardenreglement akkoord is gegaan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vraag of de cao waarin een pensioenontslagbeding is opgenomen tussen werknemer en Brocacef BV (de rechtsvoorganger van Alfasan) van toepassing is, kan in het midden blijven nu op grond van artikel 14a lid 2 Wet CAO de gebondenheid eindigt zodra de geldingsduur van de cao verstreken is, hetgeen het geval is. Het beroep van Alfasan op het in haar Arbeidsvoorwaardenreglement vervatte pensioenontslagbeding faalt. Voor de toepasselijkheid van de bepalingen van dat reglement is namelijk vereist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het incorporeren ervan in de arbeidsovereenkomst, hetgeen niet is gebeurd.
Ten aanzien van het van rechtswege eindigen, faalt het beroep op het arrest Codfried/ISS (HR 13 januari 1995, NJ 1995, 430). Weliswaar is daarin sprake van 'de regel dat een dienstbetrekking in het algemeen van rechtswege eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd', maar die passage (in r.o. 3.5) heeft betrekking op de vraag naar 'de rechtsopvatting van brede lagen van de bevolking' en op de vraag of voor 'de gangbare argumenten ter rechtvaardiging van ontslag wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd (–) een redelijke en objectieve rechtvaardiging' bestaat (r.o. 3.6). Uit dit arrest kan daarom niet worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat een arbeidsovereenkomst eindigt als de werknemer 65 jaar wordt, indien dit niet is overeengekomen. In deze zaak ging het bovendien om een proeftijdontslag en niet om het van rechtswege eindigen van het dienstverband. Ook het beroep op artikel 7:667 lid 1 BW en het verweer dat het in de onderneming gebruikelijk is werknemers bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet in dienst te houden wordt verworpen. De maatschappelijke tendens is dat het niet ongebruikelijk is dat werknemers na het 65e jaar doorwerken. Niet voorbijgegaan kan worden aan wat in de samenleving als geheel gebruikelijk is. De wedertewerkstelling wordt toegewezen. Het tegelijkertijd met deze procedure ingediende ontbindingsverzoek is afgewezen.