Naar boven ↑

Rechtspraak

TROS/werknemer
Hoge Raad, 9 december 2011
ECLI:NL:HR:2011:BT7500

TROS/werknemer

Verzorgen van medische teletekstberichten leidt tot een arbeidsverhouding in de zin van artikel 1 onder b sub 2 BBA. Objectieve uitleg. Partijbedoeling alleen van belang voor de vraag of sprake is van 'persoonlijke arbeidsverrichting'. Tijdstip toetsing of werkzaamheden van bijkomstige betekenis zijn, is moment van beëindiging

Werknemer heeft vanaf 1978 tot 1 juni 2008 werkzaamheden verricht voor de TROS. Aanvankelijk ging het daarbij om bijdragen aan diverse door de TROS verzorgde radioprogramma's, later – vanaf 1983 – om het redigeren van de dagelijkse medische berichtgeving op TROS-teletekst. Voor dat laatste ontving werknemer een bedrag van laatstelijk € 38,57 per geplaatst bericht, overeenkomende met een bedrag van € 1.157,10 per maand. Vanaf 1984 tot 2002 is werknemer tevens als parttime huisarts werkzaam geweest. Door de jaren heen heeft werknemer voorts diverse activiteiten op cultureel en literair gebied ontwikkeld, waaronder het exposeren van eigen fotomateriaal en het schrijven van een aantal (kinder)boeken en verhalenbundels. Op 1 juni 2008 beëindigt TROS de medische rubriek op teletekst. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij als 'werknemer' in de zin van artikel 1 onder b sub 2 BBA kwalificeert en TROS derhalve toestemming had moeten vragen voor de opzegging van de overeenkomst. Hij vordert doorbetaling van het gebruikelijke honorarium totdat de overeenkomst op rechtsgeldige wijze is opgezegd. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Het hof heeft de vordering van werknemer toegewezen. In cassatie klaagt de TROS onder meer dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan de partijbedoeling en heeft miskend dat de werkzaamheden van werknemer voor TROS slechts van bijkomstige aard waren, indien men de hele periode van de arbeidsverhouding beziet.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het BBA beoogt bescherming te bieden aan de daarin omschreven 'werknemers', en dat brengt mee dat de in artikel 1 onder b sub 2 genoemde criteria objectief van aard zijn (met uitzondering van het vereiste van het persoonlijk verrichten van de arbeid, omdat daarbij van belang is wat partijen zijn overeengekomen en derhalve ook de – subjectieve – partijbedoelingen een rol kunnen spelen (vgl. HR 21 maart 1969, LJN AC4919, NJ 1969, 321)). De partijbedoelingen en andere omstandigheden die daarmee samenhangen en die volgens het middel tezamen tot een ander oordeel zouden moeten leiden, heeft het hof dan ook terecht buiten beschouwing gelaten, behalve bij zijn oordeel in het kader van de vraag of de overeenkomst tussen partijen een verplichting voor werknemer meebracht de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, waar het heeft onderzocht wat partijen dienaangaande bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond.

De strekking van het BBA brengt voorts mee dat voor bescherming van betrokkene op het moment van beëindiging van de arbeidsverhouding, vereist maar ook voldoende is dat op dat moment aan genoemde criteria wordt voldaan. Het hof heeft dus terecht onderzocht of ten tijde van de beëindiging van de arbeidsverhouding sprake was van werkzaamheden van al dan niet bijkomstige betekenis, en het hoefde daarom geen onderzoek te doen naar de financiële situatie van werknemer in 1978 of 1983.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.