Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 januari 2012
ECLI:NL:RBBRE:2012:BV0482
werkneemster/VVE Diensten Nederland BV
Werkneemster is sinds 2000 in dienst van VVE als administratrice. Sinds 2001 geldt binnen VVE een winstdelingsregeling. Over de omvang van het winstdeel over 2008 en 2009 is een geschil ontstaan. De kantonrechter Breda heeft bij vonnis van 23 februari 2011 de vordering van werkneemster toegewezen. Thans stelt werkneemster dat haar over 2010 een winstdeel toekomt, nu dit op grond van het vonnis van 23 februari 2011 als vast loonbestanddeel moet worden beschouwd. VVE stelt dat aan het vonnis geen gezag van gewijsde toekomt, althans niet ten aanzien van het karakter van het winstdeel.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Zoals A-G Wesseling-Van Gent in haar conclusie voor HR 11 maart 2011 (LJN BO 9549) schrijft, moet onder “rechtsbetrekking in geschil” (ex art. 236 Rv) worden verstaan het geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Gezag van gewijsde komt toe aan die (geschil)beslissingen in een vonnis, waarin de rechter aan bepaalde feiten bepaalde rechtsgevolgen heeft verbonden, ongeacht of deze beslissingen zijn neergelegd in een dictum, dan wel slechts deel uitmaken van de overwegingen. In de procedure tussen partijen stond de correctie op het winstdeel over 2008 en 2009 centraal. Dat werkneemster over die jaren aanspraak had op een winstdeel stond niet ter discussie. Het gezag van gewijsde heeft geen betrekking op het ‘vaste’ karakter van het winstdeel. Voor zover in het vonnis van de eerste kantonrechter al een oordeel moet worden gelezen over het karakter van het winstdeel – daar is gerede twijfel over mogelijk -, dan moet dat oordeel worden gezien als een obiter dictum – een overweging ten overvloede -, waarop het gezag van gewijsde, volgens vaste rechtspraak, geen betrekking heeft.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkneemster er op mogen vertrouwen, dat haar ook over 2010 een winstdeel zou toekomen, als aan de randvoorwaarde van een neutraal of positief bedrijfsresultaat werd voldaan. Dat vertrouwen heeft zij mogen ontlenen aan de gegroeide praktijk, die sterk afweek van de in art. 3 van de winstdelingsregeling voorgeschreven procedure. Het had op de weg van VVE gelegen om aan haar werknemers, ten laatste bij aanvang van het boekjaar 2010, bekend te maken, dat het “automatisme” van de afgelopen jaren zou worden beëindigd en dat voor de toekomst de hand zou worden gehouden aan de systematiek van art. 3. Hiervan is niet gebleken. Het winstdeel over 2010 (€ 1.346,49 bruto) wordt derhalve toegewezen.