Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Ploeg Ede BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 januari 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BV1434

werknemer/Ploeg Ede BV

Vervolg Ploeg Ede-zaak. Hof komt terug op vaststelling tussenarrest. Opzegging is niet kennelijk onredelijk, daar de arbeidsmarktpositie van werknemer niet althans minder slecht is dan in tussenarrest geschetst

In deze zaak komt het hof terug op de vaststelling in het tussenarrest dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van werknemer kennelijk onredelijk is (zie AR 2011-0649). Met name de in het genoemde tussenarrest overwogen 'slechte arbeidsmarktpositie' is bij nader inzien onjuist gebleken. Het betoog van werknemer bij zijn memorie van grieven, dat hij na zijn ontslag in de WW is terechtgekomen en, naar het hof begrijpt, min of meer noodgedwongen heeft besloten om als zelfstandige aan de slag te gaan, strookt niet met het feit dat werknemer al in 2002 met zijn eenmanszaak is gestart en aanzienlijke winsten heeft geboekt. Het hof acht ook niet aannemelijk dat ten tijde van zijn ontslag sprake was van grote (financiële) onzekerheid over de toekomst. Het hof komt dan ook terug van zijn oordeel, dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werknemer kennelijk onredelijk is. De omstandigheid dat de privé-ontvangsten van werknemer in 2010 lager waren dan in 2009 leidt niet tot een ander oordeel, ook niet in samenhang met het feit dat aan de werknemers van ontslagronde 1 een ontslagvergoeding is toegekend.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder andere Hoge Raad 26 november 2010, LJN BN8521) is de rechter, die in een tussenuitspraak één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie. Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.