Naar boven ↑

Rechtspraak

Nietige vaststellingsovereenkomst met 56-jarige winkelverkoper vlak voor overgang van onderneming. Toewijzing voorwaardelijk ontbindingsverzoek werknemer. Vergoeding C=1

Werknemer (56 jaar) is sinds 1993 als winkelverkoper in dienst. Zijn voormalige werkgeefster heeft het bedrijf per 1 mei 2011 verkocht aan werkgever. Werknemer heeft op 27 april 2011 een beëindigingsovereenkomst getekend. Op 4 mei 2011 heeft hij de nietigheid van deze overeenkomst ingeroepen en een loonvordering ingesteld. Hij stelt dat hij de consequenties onvoldoende heeft kunnen overzien. Bij vonnis van 10 november 2011 heeft de Kantonrechter Amsterdam de loonvordering toegewezen. Thans verzoekt werkgever voorwaardelijke ontbinding wegens een bedrijfseconomische reden. Volgens werkgever moet de exploitatievergunning voor de automatenhal (mede) op naam van werknemer komen te staan, en dat kan niet nu de zedenpolitie negatief heeft geadviseerd over werknemer als leidinggevende. Voorts stelt hij dat sprake is van disfunctioneren.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De door werkgever aangevoerde omstandigheden vormen onvoldoende grond voor toewijzing van het verzoek. Werknemer heeft onweersproken gesteld dat hij niet werkzaam is als leidinggevende, zodat hij niet hoeft te worden bijgeschreven op de exploitatievergunning. Het disfunctioneren is slechts gebaseerd op ‘horen zeggen’ door de voormalige werkgeefster en is onvoldoende onderbouwd. Nu werknemer ook ontbinding heeft verzocht, wordt de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Ten aanzien van de vergoeding wordt overwogen dat de nietige vaststellingsovereenkomst voor risico van werkgever komt. Voorts wordt rekening gehouden met het langdurige dienstverband en de leeftijd van werknemer. Volgt ontbinding met C=1 (� 55.000 bruto).