Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland, 25 januari 2012
ECLI:NL:RBLEE:2012:BV2620
werknemer/AB Fryslân & Noord-Holland Uitzendorganisatie BV
Tussen AB als werkgever en werknemer is met ingang van 26 oktober 2009 een schriftelijke uitzendovereenkomst fase B gesloten, voor bepaalde tijd tot 2 mei 2010. Van 3 mei 2010 tot 2 januari 2011 is een tweede uitzendovereenkomst gesloten en van 3 januari 2011 tot en met 3 juli 2011 is de derde gesloten. De vierde uitzendovereenkomst is gesloten van 4 juli 2011 tot en met 23 oktober 2011. In deze uitzendovereenkomsten fase B is bepaald dat de uitzendovereenkomst van rechtswege afloopt. Stilzwijgende of mondelinge verlenging van de uitzendovereenkomst is uitgesloten. Werknemer is tot en met 23 oktober 2011 aan het werk geweest. Thans heeft werknemer een loonvordering ingesteld. Hij stelt dat de derde uitzendovereenkomst fase B, die afliep op 3 juli 2011, met ingang van de daaropvolgende dag – 4 juli 2011 – stilzwijgend is verlengd. Krachtens artikel 7:668 lid 1 BW is de (derde) uitzendovereenkomst daarmee voor dezelfde tijd en op dezelfde voorwaarden voortgezet, in dit geval tot en met 2 januari 2012. Op 26 oktober 2011 – toen de maximale duur voor fase B-uitzendovereenkomsten van twee jaren verstreek – is er ondertussen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen tot stand gekomen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet kan worden geoordeeld dat de derde uitzendovereenkomst fase B tussen partijen ex artikel 7:668 lid 1 BW stilzwijgend is voortgezet. In de derde uitzendovereenkomst fase B voor bepaalde tijd is (net als in de twee uitzendovereenkomsten fase B daarvoor) in expliciete bewoordingen bepaald dat deze overeenkomst van rechtswege eindigt én dat partijen stilzwijgende of mondelinge verlenging van de uitzendovereenkomst uitsluiten. Daarmee hebben partijen op voorhand de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging van de derde uitzendovereenkomst uitgesloten. Reeds op grond daarvan mocht werknemer er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de derde uitzendovereenkomst na afloop van de (bepaalde) tijd waarvoor deze was aangegaan, stilzwijgend werd voortgezet. Voorts is voldoende aannemelijk dat begin juli 2011 wel degelijk is gesproken over voortzetting van de uitzendovereenkomst. De vanaf 4 juli 2011 gecontinueerde arbeidsverhouding loopt af op 26 oktober 2011. In de drie eerste schriftelijke uitzendovereenkomsten is namelijk overeengekomen dat de uitzendrelatie in elk geval eindigt bij het einde van fase B. Fase B eindigt twee jaar na het aangaan van de eerste fase B, derhalve op 26 oktober 2011. Nu werknemer op 24 en 25 oktober 2011 zonder geldige reden niet op zijn werk is verschenen en het loon van voor 24 oktober 2011 is betaald, wordt de loonvordering afgewezen.