Rechtspraak
werkneemster/werkgever c.s.
Werkneemster (27 jaar) is sinds 2001 in dienst als junior stylist B. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Kappersbedrijf van toepassing. Werkneemster stelt dat ze in de periode van 1 maart 2006 tot en met 30 november 2010 te weinig salaris heeft ontvangen. Op grond van de cao was zij werkzaam als haarstyliste 3 en had zij dienovereenkomstig moeten worden beloond. Dat is echter niet gebeurd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever heeft aangevoerd dat werkneemster nooit als haarstyliste 3 is ingedeeld. Op zichzelf is juist dat de cao beschrijft op welke wijze de functie die een werknemer in de salon uitoefent kan worden ingedeeld. Dat begint met een beschrijving van de functie in de salon door inventarisatie van de werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Vervolgens wordt deze beschrijving vergeleken met de referentiefuncties uit de cao. Werkgever kan daarna een indelingsbesluit nemen, dat wordt medegedeeld aan de werknemer. Deze beschrijving in de cao moet eerder als een aanbeveling dan als een dwingend voorschrift worden beschouwd. Ook zonder indelingsbesluit kan een werknemer onder een referentiefunctie vallen, zodat dit verweer van werkgever niet slaagt.
Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of werkneemster werkzaam is als haarstyliste 3. Om deze vraag te beantwoorden, is de uitleg van de functiebeschrijving in de cao van belang. Een haarstylist moet, om in aanmerking te komen voor de kwalificatie 1, 2 of 3, één of meer van de vaktechnische handelingen zo veel mogelijk dagelijks uitvoeren. Een redelijke uitleg hiervan brengt mee dat deze handelingen vaak en dus niet eens per week of minder worden uitgevoerd. Met de door haar overgelegde verklaringen heeft werkneemster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ze zo veel mogelijk dagelijks de drie vaktechnische handelingen (die vereist zijn om als haarstyliste 3 te worden gekwalificeerd) heeft verricht. Volgt afwijzing van de loonvordering.