Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Hodal B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 februari 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BV3432

werknemer/Hodal B.V.

Proeftijdbeding in algemeen verbindend verklaarde cao dient ambtshalve te worden getoetst. Weggestreept proeftijdbeding in de arbeidsovereenkomst levert dwingend bewijs ex artikel 157 Rv op. Werkgever gehouden tegenbewijs te leveren

Werknemer is op 19 februari 2009 voor de bepaalde tijd van zes maanden in dienst getreden van Hodal in de functie van algemeen medewerker schoonmaakonderhoud en glasbewassing. In de op 20 februari 2009 ondertekende arbeidsovereenkomst is artikel 2 onder 2 – het proeftijdbeding – doorgestreept. Bij brief van 23 februari 2009 bevestigt Hodal schriftelijk dat tussen partijen wel degelijk artikel 2 onder 2 van kracht is, zoals ook mondeling met werknemer overeengekomen in een eerder gesprek. Op de arbeidsovereenkomst is tevens de cao in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing. In artikel 9 van deze cao staat opgenomen dat steeds een proeftijd van twee maanden geldt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Op 26 maart 2009 zegt Hodal de arbeidsovereenkomst met werknemer op. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat tussen partijen een proeftijd is overeengekomen van twee maanden. Werknemer is door Hodal met gebruikmaking van het proeftijdbeding rechtsgeldig ontslagen, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat op hun arbeidsovereenkomst de bepalingen van de cao van toepassing zijn. Artikel 9 lid 2 van de cao luidt: ‘De eerste 2 maanden van een arbeidsovereenkomst worden aangemerkt als proeftijd, tenzij in de arbeidsovereenkomst wordt afgesproken dat geen proeftijd zal gelden of een kortere periode wordt overeengekomen.’ Voorts was dit artikel in de cao bij het sluiten van de overeenkomst – en thans nog steeds – algemeen verbindend verklaard, zodat de cao recht vormt in de zin van artikel 79 Wet RO (zie o.a. HR 28 juni 2002, NJ 2003, 111). Dit leidt tot ambtshalve toepassing van deze bepaling door de rechter. Gelet op dit laatste dienen de eerste twee maanden van de arbeidsovereenkomst tussen partijen als proeftijd te worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof is in casu aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan, omdat de proeftijdbepaling in de cao is opgenomen. De cao kent echter de mogelijkheid dat in de individuele arbeidsovereenkomst van de bij cao bepaalde proeftijd wordt afgeweken, of dat deze geheel achterwege wordt gelaten. Het hof begrijpt werknemer aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat deze situatie zich voordoet, omdat in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst – een standaardcontract waarin de niet op de betreffende situatie van toepassing zijnde voorwaarden moeten worden weggestreept – artikel 2 met daarin de proeftijdbepaling weggestreept is. De stelplicht en bewijslast liggen te dien aanzien bij werknemer, nu hij zich op het standpunt stelt dat met hem een van de standaardregeling afwijkende situatie is overeengekomen. Werknemer beroept zich hiertoe op de arbeidsovereenkomst, een onderhandse akte als bedoeld in artikel 156 lid 3 Rv. Een onderhandse akte levert in beginsel ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring (artikel 157 Rv). Het hof overweegt dat werknemer door overlegging van de arbeidsovereenkomst daarom in beginsel heeft bewezen dat met hem een van de standaardregeling in de cao afwijkende situatie is overeengekomen, omdat het artikel waarin deze standaardregeling is verwoord hierin is doorgestreept. Tegen voornoemd dwingend bewijs is echter tegenbewijs mogelijk. Nu Hodal uitdrukkelijk heeft aangeboden dit tegenbewijs te leveren door middel van het horen van getuigen, zal zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld.