Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Raad van Overleg in de Metalektro en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro/Vector Aandrijftechniek B.V.
Hoge Raad, 24 februari 2012
ECLI:NL:HR:2012:BU9889

Stichting Raad van Overleg in de Metalektro en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro/Vector Aandrijftechniek B.V.

Bij toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium in de Metalektro-cao dienen naast de arbeidsuren van werknemers die fysieke handelingen met metaal verrichten ook alle arbeidsuren van hen die dienstbaar zijn aan die fysieke handelingen, zoals telefonisten, in- en verkopers en ondersteuning te worden meegeteld

Deze zaak gaat over de werkingssfeerbepalingen in de Metalektro-cao’s en in de verplichtstellingsbeschikking voor de Metalelektro, meer in het bijzonder over de vraag of is voldaan aan het ‘hoofdzakelijkheidscriterium’ van de genoemde cao’s. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of bij het aandeel van meer dan vijftig procent aan fysieke handelingen met metaal ook moeten worden meegeteld de arbeidsuren van de werknemers die dienstbaar zijn aan die fysieke handelingen ‘zoals de telefoniste, de koffiejuffrouw en de in- en verkopers, het magazijn enzovoort (de “ondersteuning”), alsmede – naar rato – de arbeidsuren van de “overhead”, zoals de leidinggevende, de personeelswerker en de directie’. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Tegen dit oordeel keren ROM en PME zich in cassatie. Volgens hen is beslissend voor de toepassing van de werkingssfeerbepalingen niet welke specifieke ‘fysieke’ werkzaamheden werknemers al dan niet verrichten, maar waarop de werkzaamheden (activiteiten) van de onderneming waarin zij werkzaam zijn, in hoofdzaak gericht zijn.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De uitleg die het hof heeft gegeven aan de werkingssfeerbepalingen is onjuist. Noch de tekst van de werkingssfeerbepalingen zelf noch de overige tekst van de cao’s of die van de verplichtstellingsbeschikking geven voldoende aanknopingspunten voor die uitleg. De in lid 2 onder a gebruikte woorden ‘en waarin’ duiden erop dat voor de werkingssfeer van de cao’s niet de eis wordt gesteld dat alle of meer dan 50% van de bij de onderneming in dienst zijnde werknemers zelf daadwerkelijk (‘fysiek’) de onder a bedoelde werkzaamheden verrichten. Voldoende maar ook vereist is immers dat uitsluitend of in hoofdzaak in de onderneming het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend. Daarom ligt het voor de hand om bij de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium tot uitgangspunt te nemen dat de genoemde bedrijfsuitoefening heeft te gelden als werkzaamheid van de onderneming en niet uitsluitend van de werknemers van de onderneming die zelf ‘fysiek’ de in lid 2 onder a gespecificeerde werkzaamheden verrichten, en dat alle door andere werknemers in de onderneming verrichte werkzaamheden die aan die bedrijfsuitoefening bijdragen, relevant zijn voor de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium. Een redelijke uitleg van het gestelde in lid 2 onder a brengt dan ook mee dat bij de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium alle in de onderneming gewerkte arbeidsuren dienen te worden betrokken die redelijkerwijze vallen toe te rekenen aan de uitoefening van het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen. Dit betreft dus naast de arbeidsuren die door werknemers zijn gemaakt bij het verrichten van de onder a gespecificeerde werkzaamheden, onder meer de arbeidsuren van andere werknemers in de onderneming die eerstgenoemden tot het verrichten van hun werkzaamheden in staat stellen, hun daarbij ondersteuning verlenen, anderszins faciliteren, of ervoor zorgen dat de producten van de bedrijfsuitoefening afzet vinden.