Rechtspraak
Hoge Raad, 9 maart 2012
ECLI:NL:HR:2012:BV0471
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid/werkgever
Het gaat in deze zaak om de vraag of de aanmanings- en invorderingskosten waarop bij een dwangbevel op grond van artikel 19i (oud) Wet arbeid vreemdelingen (hierna: WAV) aanspraak is gemaakt, verschuldigd blijven (en het tegen het dwangbevel gedane verzet in zoverre moet stranden), wanneer de onderliggende boetebeschikking wordt herroepen nadat het bestuursorgaan reeds invorderingsmaatregelen heeft getroffen. Werkgever heeft een tweetal boetebeschikkingen opgelegd gekregen. Tegen deze beschikkingen heeft hij bezwaar gemaakt. Door het bezwaar werd de werking van de beschikkingen niet opgeschort. Op 13 april 2007 zijn de boeten vanwege het uitblijven van betaling verhoogd met aanmaningskosten (telkens € 9,08) en invorderingskosten (€ 1.428 en € 29.988, zijnde 15% van de hoofdsom en 19% btw). In 2008 zijn de boetebeschikkingen herroepen. Het hof heeft geoordeeld dat werkgever geen invorderingskosten verschuldigd is te betalen. Tegen dit oordeel keert de Staat zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het middel klaagt in de onderdelen 1 en 2 dat het hof heeft miskend dat de kosten van invordering verschuldigd blijven ook al zijn de boetebeschikkingen herroepen. De klacht faalt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat, nu de bezwaren tegen de boetebeschikkingen gegrond zijn verklaard en die beschikkingen zijn herroepen, te gelden heeft dat die beschikkingen ten onrechte zijn opgelegd. Het inmiddels vervallen maar in deze nog toepasselijke artikel 19j WAV bepaalde dat de betaalde geldsom vermeerderd met de wettelijke rente binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de boete ten onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende moet worden terugbetaald. Deze bepaling, die in samenhang moet worden gezien met de omstandigheid dat bezwaar tegen de boetebeschikking de betalingsverplichting niet opschortte en dat verzet tegen het dwangbevel de tenuitvoerlegging daarvan niet schorste (artikel 19i lid 5 (oud) WAV), strekte blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met de invoering van bestuursrechtelijke handhaving (Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen) ertoe de sanctie van financiële aard waarom het bij een boete altijd gaat, volledig terug te draaien als de boete ten onrechte zou blijken te zijn opgelegd (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 3, p. 19). Dat brengt mee dat ook de in rekening gebrachte en voldane kosten van invordering moeten worden terugbetaald en dat die kosten, voor zover nog niet voldaan, niet langer verschuldigd zijn indien is vastgesteld dat de boete ten onrechte is opgelegd.