Rechtspraak
werknemer/T-Mobile Netherlands BV
Werknemer is in 1998 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) T-Mobile. Op 3 december 2000 heeft Dutchtone (de rechtsvoorganger van T-Mobile) een verklaring afgegeven dat werknemer naast zijn vaste salaris recht had op een ‘personal allowance’ (NLG 50.000). Op 13 december 2000 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Op 27 december 2000 verklaart Dutchtone dat werknemer recht heeft op een ‘extra special project allowance’ van NLG 50.000. Dutchtone heeft deze toelage steeds uitgekeerd. Als werknemer in 2007 in dienst treedt van Ericsson, stelt hij zich op het standpunt dat hij naast de special project allowance ook recht had op de personal allowance. Dutchtone stelt zich op het standpunt dat het om een en dezelfde toelage gaat zij het dat ze in beide verklaringen een andere benaming hebben. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer toegewezen. Het hof heeft de vorderingen afgewezen, stellende dat in de arbeidsovereenkomst van 13 december is bepaald dat alle voorgaande afspraken zijn komen te vervallen, zodat de aanvulling per 27 december 2000 niet kan cumuleren met de verklaring van 3 december. Daarnaast heeft het hof belang gehecht aan het feit dat werknemer gedurende de periode 2000 tot 2007 nooit aanspraak heeft gemaakt op deze extra vergoeding, zodat ook hij (werknemer) er klaarblijkelijk van uitging dat deze niet verschuldigd was. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie, stellende dat het hof artikel 24 Rv heeft geschonden door in zijn oordeel de arbeidsovereenkomst van 13 december 2000 te betrekken, terwijl partijen dat niet hebben gedaan.
De advocaat-generaal concludeert als volgt. Anders dan werknemer stelt is de arbeidsovereenkomst van 13 december 2000, meer in het bijzonder artikel 24 daarvan, niet dragend geweest voor het oordeel, maar slechts een van de omstandigheden van het geval. Voor zover het middel klaagt dat het hof een verkeerde uitleg op grond van Haviltex heeft gegeven, is het vanwege de feitelijke aard niet toetsbaar in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.