Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juli 2011
ECLI:NL:RBMID:2011:BW2173

werknemer/werkgeefster

Vrachtwagenchauffeur die in Duitsland door rood verkeerslicht rijdt en een verkeersongeval veroorzaakt met twee doden tot gevolg, handelt bewust roekeloos en kan zijn werkgeefster derhalve niet met succes aansprakelijk stellen voor zijn schade

Werknemer heeft tijdens zijn werk bij het vervoeren van vis in Duitsland een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij twee inzittenden van een personenauto om het leven zijn gekomen. Het Amtsgericht heeft werknemer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid in Duitsland wegens het in gevaar brengen van het verkeer door schuld in samenhang met de dood van twee mensen door schuld en verwonding door schuld. Uit het strafvonnis blijkt dat werknemer, hoewel het verkeerslicht al ongeveer 20 seconden op rood stond en hij dit al enkele honderden meters daarvoor had gezien, met 80 km per uur door rood is gereden. Thans vordert werknemer van werkgeefster betaling van een boete van ruim € 8000 die het Amtsgericht hem heeft opgelegd. Daarnaast vordert hij betaling van enkele bedragen die volgens hem ten onrechte op zijn salaris zijn ingehouden en vordert hij voor recht te verklaren dat werkgeefster aansprakelijk is voor alle schade die werknemer verder nog als gevolg van zijn betrokkenheid bij het ongeval zal lijden. Hij baseert zijn vorderingen op artikel 7:658 BW en 7:611 BW.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat het rijgedrag van werknemer voor het ongeval als roekeloos is aan te merken. Voorts wordt de vraag of werknemer zich bewust was van de roekeloosheid bevestigend beantwoord. Het is algemeen bekend dat men voor een rood verkeerslicht bij een kruising moet stoppen zodat het verkeer op de kruisende weg de kruising veilig kan passeren en dat het gevaar oplevert voor dat verkeer wanneer men ondanks rood licht de kruising oprijdt. Ook werknemer moet zich bewust zijn geweest van de noodzaak om te stoppen omdat hij op ruime afstand van de kruising zag dat het verkeerslicht op rood stond en het gaspedaal losliet om zijn snelheid terug te brengen. Naar zijn zeggen vertrouwde hij erop dat het licht op groen zou staan bij zijn nadering van de kruising. Redelijkerwijs volgt hieruit het – overigens voor een bestuurder van een motorvoertuig voor de hand liggende – besef dat de kruising niet mocht worden gepasseerd indien het licht nog op rood zou staan. Dit volgt ook uit de stelling van werknemer dat hij krachtig remde toen hij vlak voor de kruising zich ervan bewust werd dat het verkeerslicht nog op rood stond. Hierbij is van belang dat werknemer naar hij stelt de voor hem van links komende auto niet kon waarnemen zodat kennelijk niet de waarneming van die auto hem ertoe bracht vlak voor de kruising alsnog krachtig te remmen. Hieruit is af te leiden dat werknemer ondanks zijn veelvuldige eerdere ervaring dat hij deze kruising kon oprijden zonder te worden geconfronteerd met ander verkeer, zich ervan bewust was dat hij moest voorkomen die kruising op te rijden als het verkeerslicht op rood stond. Als werknemer inderdaad erop vertrouwde bij het oversteken van de kruising niet te worden geconfronteerd met verkeer op de kruisende weg, was er voor hem in dat vertrouwen geen reden om het gaspedaal los te laten en zo zijn snelheid terug te brengen toen hij zag dat het verkeerslicht op rood stond en evenmin om krachtig te remmen toen hij vlak voor de kruising reed en het licht nog steeds op rood stond. Omdat er sprake is van bewuste roekeloosheid, hoeft werkgeefster de schade niet te vergoeden. Ten aanzien van de verrekening van de borgsom en de advocatennota’s door werkgeefster bij de eindafrekening wordt werkgeefster toegelaten te bewijzen dat deze bedragen als lening aan werknemer zijn verstrekt. De zaak wordt derhalve aangehouden.