Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer meent dat werkgever hem ten onrechte niet in de functie van Bedrijfsleider Klein Horecabedrijf heeft ingeschaald. Tussen partijen heeft een comparitie plaatsgevonden. Werkgever heeft zich beroepen op verjaring, voor zover de vordering ziet op loon dat meer dan vijf jaar geleden verschuldigd zou zijn geweest. Verder heeft werkgever zich beroepen op het bepaalde in artikel 6:89 BW. Werkgever voert aan dat werknemer te laat heeft geklaagd door pas in 2010 over zijn inschaling te klagen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het beroep op verjaring faalt, omdat de verjaring tijdig is gestuit. Het beroep op artikel 6:89 BW treft in dit geval doel. Werknemer heeft onvoldoende geconcretiseerd dat hij al voor zijn brief van 28 juni 2010 heeft geklaagd bij werkgever over zijn functie-indeling. Relevant is dat artikel 6:89 BW ertoe strekt dat de schuldenaar wordt beschermd doordat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt (Parl. Gesch. Boek 6, p. 316-317). Nu ook artikel 9 lid 3 van de cao een vlotte procedure voorschrijft in het geval van verschil van mening over de functie-indeling, waarbij een overlegtermijn van dertig dagen en een beroepstermijn van twee maanden geldt, had van werknemer verwacht mogen worden dat hij binnen bekwame tijd na 21 januari 2006 over de functie-indeling had geklaagd.