Rechtspraak
werknemer/X BV c.s.
Werknemer, geboren in 1959, is in 1980 in dienst getreden als notarisklerk. Zijn arbeidsovereenkomst is tegen 30 september 2009 wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Door werkgever is in 2006 een bedrag van € 7.500 aan werknemer overgemaakt. Tussen partijen is in geschil of dit bedrag als lening is verstrekt of dat het ging om een loonaanspraak. Voorts stelt werknemer dat het ontslag kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het bedrag van € 7.500 als geldlening moet worden aangemerkt en dat het ontslag kennelijk onredelijk is. In hoger beroep stelt werkgever dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.
Het hof oordeelt als volgt. Gezien de leeftijd van werknemer, zijn eenzijdige arbeidsverleden als agrarisch specialist en zijn burn-out in het verleden moeten zijn kansen op de arbeidsmarkt naar het oordeel van het hof als niet al te rooskleurig beoordeeld worden. De stelling dat werkgever werknemer kantoorruimte heeft aangeboden en heeft geprobeerd voor werknemer werk bij derden te vinden, is onvoldoende onderbouwd. Uit de financiële stukken blijkt niet dat werkgever in het geheel geen vergoeding zou kunnen betalen. De inkomensachteruitgang van werknemer door de opzegging is aanzienlijk. De notarissen hebben niet betwist dat deze circa € 900 netto per maand bedraagt inclusief de onkostenvergoeding, welke naar het oordeel van het hof daarbij betrokken moet worden als vaste vergoeding waar geen aantoonbare uitgaven tegenover stonden. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, wordt geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Onder verwijzing naar de arresten Van de Grijp/Stam en Rutten/Breed wordt geoordeeld dat gezien de inkomensachteruitgang van werknemer de door de kantonrechter bepaalde schadevergoeding van € 18.000 netto, die neerkomt op een schadevergoeding ter hoogte van het inkomensverlies gedurende twintig maanden, redelijk is.
Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat niet vaststaat dat het overgemaakte bedrag van € 7.500 (per bank zonder verdere vermelding) een geldlening betrof. Werkgever wordt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van de stelling dat sprake is van een geldlening. Volgt aanhouding van de zaak.