Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/SRC-Cultuurvakanties B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 mei 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BW6985

werknemer/SRC-Cultuurvakanties B.V.

Reisleider heeft geen recht op overwerkvergoeding conform de cao omdat partijen bewust een hogere functiegroep zijn overeengekomen. Het verblijf in het buitenland leidt niet tot een aanwezigheidsdienst in de zin van Hof van Justitie-rechtspraak, zodat een reisleider niet 24 uursdiensten verricht

Werknemer is op 8 mei 2009 op basis van een (schriftelijk vastgelegde) arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor bepaalde tijd bij SRC in dienst getreden in de functie van reisleider tegen een salaris van € 1690,93 bruto per maand (schaal 5, trede 4). Deze overeenkomst liep tot en met 31 oktober 2009. Op de overeenkomst is de CAO voor de Reisbranche (hierna: de cao) van toepassing verklaard. In de periode 8 mei tot en met 31 oktober 2009 heeft werknemer een viertal reizen naar Spanje begeleid. In artikel 7d van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat werknemer wordt geacht acht uur op een dag te hebben gewerkt. De werknemer ontvangt noch loon, noch enige andere vergoeding voor uren dat hij/zij meer dan acht uur heeft gewerkt. Op grond van de cao hebben werknemers recht op overwerkvergoeding indien zij in de functiegroep 2 t/m 5 zitten. Volgens SRC vallen haar reisleiders onder functiegroep 6. Werknemer heeft in eerste aanleg overwerkvergoeding gevorderd.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werknemer stelt, is het hof niet van oordeel dat hij geen functiegroep 6 is overeengekomen. Zijn salaris correspondeert immers met dat van een functiegroep 6. Kennelijk hebben partijen de functie bewust hoger ingeschaald. De stelling van werknemer dat artikel 7d van de arbeidsovereenkomst strijdig is met artikel 10 van de cao, miskent bijgevolg dat artikel 10 juist voor werknemers in functiegroep 6 in een uitzonderingssituatie voorziet. In zoverre is artikel 7d van de arbeidsovereenkomst niets meer en niets minder dan een bevestiging van hetgeen uit de cao voortvloeit. De stelling van werknemer dat artikel 10 van de cao analoog zou moeten worden toegepast, snijdt geen hout, omdat partijen zijn overeengekomen de cao toe te passen en de beoogde analoge toepassing feitelijk zou leiden tot buiten toepassing laten van hetgeen is overeengekomen.

Werknemer bestrijdt voorts het oordeel van de kantonrechter dat in het geval van werknemer geen sprake is van aanwezigheidsdienst zoals bedoeld in de aangehaalde uitspraken van het Hof van Justitie, nu werknemer geenszins aannemelijk gemaakt heeft dat hij in de uitoefening van zijn functie ter plaatse (volledig en 24 uur per dag) ter beschikking van SRC moest staan. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter en maakt dit tot het zijne. Het enkele feit dat werknemer tijdens de reis op kosten van SRC in het hotel verbleef waar ook de deelnemers aan de reis werden ondergebracht, impliceert niet dat werknemer daartoe door SRC werd verplicht. Hij diende slechts telefonisch bereikbaar te zijn en niets stond eraan in de weg dat hij ’s nachts elders verbleef. De inzet van werknemer is prijzenswaardig, maar leidt niet tot een verplichting zijdens SRC.