Naar boven ↑

Rechtspraak

Informatie Management Nederland/werknemer
Gerechtshof Amsterdam, 9 augustus 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BX1006

Informatie Management Nederland/werknemer

Gedeeltelijke vernietiging van het relatiebeding vanwege zeer korte duur dienstverband en het feit dat werknemer gaat werken voor zelf aangebracht klant

Op 1 mei 2007 is werknemer voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij IMN in de functie van senior-adviseur. Op deze arbeidsovereenkomst is een relatiebeding van toepassing. Tijdens zijn dienstverband bij IMN heeft werknemer – onder meer – bij het UWV en de gemeente Amsterdam werkzaamheden verricht. Werknemer heeft in november de arbeidsovereenkomst opgezegd om vervolgens per 1 januari 2008 als zzp'er bij het UWV werkzaamheden te gaan verrichten. IMN heeft werknemer aan het relatiebeding gehouden en boetes gevorderd. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij UWV als klant bij IMN heeft ingebracht nadat hij eerder al werkzaamheden voor UWV had verricht. Mede gezien de korte duur van het dienstverband is onverkorte instandhouding van het relatiebeding onbillijk.

Het hof oordeelt als volgt. Duidelijk is dat IMN belang heeft bij bescherming tegen concurrentie door het benaderen en bedienen van haar zakelijke relaties door een voormalig werknemer. Zorgvuldige afweging van de gestelde belangen leidt het hof echter tot de conclusie dat de kantonrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat werknemer onbillijk wordt benadeeld bij handhaving van het relatiebeding voor zover dat het UWV betreft. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. In dit geval is sprake van een zeer kort dienstverband, namelijk van acht maanden. IMN weerspreekt niet dat werknemer, voordat hij bij IMN in dienst trad, reeds beschikte over specifieke deskundigheid en IMN heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat zij tijdens het (korte) dienstverband in zodanige mate heeft geïnvesteerd in kennis, ervaring en/of opleiding van werknemer dat om die reden het belang van werknemer bij vrije arbeidskeuze zou moeten wijken. Ook is niet gebleken dat werknemer gedurende het dienstverband met IMN zeer specifieke kennis heeft opgedaan, waarmee zij IMN zou kunnen beconcurreren. Daarbij komt dat IMN geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het UWV een bestaande klant van IMN was op het gebied van de door werknemer verrichte opdracht. IMN betwist ook niet dat de desbetreffende opdracht uitsluitend tot stand is gekomen nadat werknemer IMN bij zijn contactpersoon bij het UWV had geïntroduceerd. IMN heeft weliswaar gesteld dat zij de opdracht van het UWV ook door middel van een andere werknemer had kunnen invullen, doch zij heeft onvoldoende weersproken dat het het UWV juist te doen was om het inhuren van (de specifieke kennis van) werknemer, ongeacht zijn werkgever. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat IMN evenmin concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het UWV klant van IMN zou zijn gebleven, indien werknemer zich wel aan het relatiebeding zou hebben gehouden, zodat niet is gebleken dat IMN ten opzichte van werknemer een rechtens te beschermen belang had bij handhaving van het relatiebeding. De stelling van IMN dat het in de branche gebruikelijk is om in een situatie als de onderhavige een beroep te doen op een relatiebeding, doet geen afbreuk aan hetgeen hiervoor over de concrete belangen en werknemer en IMN is overwogen.