Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 december 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7894
werknemer/Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden en Rijnstreek
Vervolg op HR 3 september 2010, AR 2010-692. Werknemer (1949) is in 1988 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) de hogeschool. Werknemer is in 2001 uitgevallen wegens spanningsklachten. In 2002 heeft werknemer zijn werkzaamheden weer hervat. In 2003 is werknemer opnieuw uitgevallen. Nadat de bedrijfsarts geen medische beperkingen meer aanwezig achtte en de WAO-aanvraag niet langer in behandeling werd genomen door het UWV, heeft de hogeschool werknemer weer opgeroepen voor zijn werkzaamheden. Werknemer stelde zich op het standpunt dat hij niet in staat was de werkzaamheden te verrichten. Op 3 september 2004 heeft werknemer de bedrijfsarts bij de keel gegrepen en gedreigd een stoel naar diens hoofd te gooien. Werknemer is diezelfde dag op staande voet ontslagen. Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een dringende reden en voorts dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Daarbij is aan werknemer een vergoeding conform de kantonrechtersformule maal 0,7 toegekend (de zogenoemde Haagse formule). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het ontslag op staande voet. Onder verwijzing naar Van de Grijp/Stam en Rutten/Breed heeft de Hoge Raad wel het oordeel inzake kennelijk onredelijk ontslag onjuist geoordeeld en de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam.
Het hof oordeelt thans als volgt. Het hof acht het niet onbegrijpelijk dat werknemer zich, door hetgeen zich voorafgaand aan het gesprek met X van 3 september 2004 had afgespeeld tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, ten aanzien van zijn gezondheidsklachten onvoldoende serieus genomen voelde – zeker nu hij was uitgenodigd voor een ‘werkhervattingsgesprek’ nadat hij een paar dagen tevoren nog van de arbeidsdeskundige had vernomen dat de hogeschool streefde naar beëindiging van de dienstbetrekking – en dat hij boos was over die gang van zaken. Dat neemt evenwel niet weg dat het bedreigen van en fysiek geweld uiten jegens een bedrijfsarts – een stoel optillen en dreigen die te gooien en de bedrijfsarts bij de stropdas of de keel pakken – met de kennelijke bedoeling diens beslissing over de arbeids(on)geschiktheid te beïnvloeden ontoelaatbaar gedrag is dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Een bedrijfsarts moet er, zoals het Hof Den Haag ook heeft overwogen in zijn arrest van 14 april 2009 (in r.o. 8), van uit kunnen gaan en erop kunnen vertrouwen van een dergelijke bejegening verschoond te blijven. Hij moet in staat zijn in vrijheid zijn oordeel over de arbeids(on)geschiktheid van de werknemer te vormen. Opzegging van een arbeidsovereenkomst op grond van dergelijk ontoelaatbaar gedrag zonder vergoeding is niet kennelijk onredelijk. Dat is niet anders indien de desbetreffende werknemer ten tijde van de opzegging 55 jaar oud en ruim 16 jaar in dienst was en er op zijn gedrag in het verleden niets aan te merken is geweest, zoals werknemer ter onderbouwing van zijn stelling dat het ontslag wel kennelijk onredelijk was, nog heeft aangevoerd.