Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 september 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BX8634
werknemer/Privateer Yachts B.V.
Werknemer is bij Privateer in dienst geweest in de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2005. Ook na 1 januari 2005 heeft werknemer nog in dienst van Privateer gewerkt. Privateer heeft in de periode tot 1 januari 2005 de Hiswa-cao niet in de onderneming toegepast. Derhalve is tot 1 januari 2005 ook niet de in de Hiswa-cao opgenomen verplichte pensioenregeling toegepast. Ingevolge deze regeling wordt het pensioen beheerd door het Bedrijfstakpensioenfonds voor de sector waterrecreatie en kunststoffen en houten jachtbouw (hierna: het Bedrijfstakpensioenfonds). Wel heeft Privateer via Aegon een eigen pensioenregeling gemaakt, welke regeling zij ten aanzien van werknemer heeft toegepast. FNV heeft mede namens werknemer van Privateer gevorderd dat zij met terugwerkende kracht de Hiswa-cao toepast. Anders dan de Aegon-pensioenregeling, kent de Hiswa-regeling een 50-50-premieverdeling. Privateer heeft in deze zaak met terugwerkende kracht een bijdrage van zijn werknemers gevorderd. In diverse andere procedures is reeds Beheer B.V. veroordeeld aan Privateer de kosten van pensioenpremies te vergoeden. Privateer heeft deze bedragen evenwel voor andere doeleinden gebruikt.
Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn bij de indiensttreding van werknemer weliswaar een pensioenregeling overeengekomen (het Aegon-pensioen), maar niet een regeling die in overeenstemming is met de Hiswa-cao. Het hof begrijpt dat de premie van het Aegon-pensioen anders dan het cao-pensioen, uitsluitend voor rekening van Privateer komt maar dat deze pensioenregeling voor het overige voor werknemer minder gunstig is dan de pensioenregeling overeenkomstig de Hiswa-cao. Namens werknemer is bij brief van 4 oktober 2005 aanspraak gemaakt op de op grond van de Hiswa-cao toepasselijke pensioenregeling, terwijl hij wist dat Privateer deze cao tot 1 januari 2005 niet nakwam. Onder deze omstandigheden kan werknemer zich in beginsel niet op grond van het feit dat hij alsnog met terugwerkende kracht vanaf datum indiensttreding op aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling aanspraak kan maken, onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premie (HvJ EG 28 september 1994, zaak C-128/93 en HR 3 januari 1997, Pensioen Jurisprudentie februari 1997, nr. 11). Het vorenstaande neemt niet weg dat werknemer een beroep op verjaring van de vordering kan doen. Naar het oordeel van het hof krijgt Privateer eerst na voldoening van de gehele pensioenpremie aan het Bedrijfstakpensioenfonds een verhaalsrecht op werknemer voor diens aandeel in de door Privateer betaalde pensioenpremie. Privateer heeft aanvankelijk alleen het zogeheten werkgeversdeel betaald van de pensioenpremies die zij ten behoeve van haar werknemers aan het Bedrijfstakpensioenfonds moest afdragen, maar per 1 augustus 2010 is zij ook begonnen met het betalen van het werknemersdeel van deze premies. Per 1 november 2010 had Privateer het verschuldigde bedrag geheel voldaan. Bij conclusie van repliek van 27 oktober 2010 heeft Privateer aanspraak op betaling van het door werknemer verschuldigde bedrag gemaakt. De verjaringstermijn van de vordering van Privateer op werknemer is derhalve met ingang van laatstgenoemde datum aangevangen en van een verjaring van de vordering van Privateer op werknemer is dan ook geen sprake.
Desalniettemin acht het hof sprake van schending van het goed werkgeverschap van Privateer door het werknemersdeel te vorderen van werknemers, indien reeds Beheer B.V. deze kosten heeft betaald. Derhalve moet alsnog de vordering van Privateer worden afgewezen.