Rechtspraak
Y B.V./X
X is in dienst geweest als chauffeur/bloemenverkoper (‘lijnrijder’). In zijn functie was hij belast met het laden, vervoeren en verkopen van sierteeltproducten aan Britse afnemers en met de afdracht van de verkoopopbrengst aan Y. Op 21 juni 2011 is hij op staande voet ontslagen. Y stelt daartoe dat X betaalde facturen door klanten niet heeft afgedragen aan Y. Volgens Y heeft X zich dit geld toegeëigend. De arbeidsovereenkomst is op 21 september 2011 voorwaardelijk ontbonden. Thans beroept X zich op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet. Hij vordert loondoorbetaling.
De kantonrechter wijst op het arrest HR 22 januari 1993, NJ 1993, 665, waarin is overwogen dat in een geval – zoals ook in dit geding aan de orde – dat de werknemer, die voor zijn werkgever bestemde gelden heeft ontvangen, wat betreft het bewijs dat hij die gelden aan zijn werkgever heeft afgedragen in beginsel van de administratie van de werkgever afhankelijk is en dat daarom als bijzondere regel van bewijslastverdeling in de zin van de slotzinsnede van (thans) artikel 150 Rv heeft te gelden dat op de werkgever de bewijslast rust dat het geld niet aan hem is afgedragen.
Hetgeen Y – gedocumenteerd – heeft aangevoerd, levert onvoldoende bewijs voor de door haar gestelde frauduleuze handelingen van X op om aanstonds het bewijs daarvan geleverd te achten. Het geeft evenmin voldoende reden voor het vermoeden dat X zich gelden van Y heeft toegeëigend. Anders dan Y meent, kan zij dit bewijs niet leveren door aan te tonen dat X tijdens de ritten, waarop bij klanten geld is geïnd dat niet zou zijn afgedragen, alleen – zonder bijrijder – heeft gewerkt. X heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij opdracht van Y had om – ook als hij alleen reed – een (‘zwart’) deel van de omzet niet in het systeem in te voeren. Volgens X was de bedrijfsvoering van Y erop gericht een deel van de omzet buiten de boeken te houden en de (fiscale) gevolgen daarvan uitsluitend aan Y ten goede te laten komen. Op basis van de thans voorhanden gegevens kan niet worden uitgesloten dat het volgens Y ontbrekende deel van de omzet door of in opdracht van haar buiten de boeken is gehouden teneinde het daarmee gemoeide voordeel aan haarzelf ten goede te doen komen. Volgt toewijzing van de loonvordering tot 21 september 2011.