Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland, 18 oktober 2012
ECLI:NL:RBGRO:2012:BY4910
werkneemster/Vereniging voor Gereformeerd Primair Onderwijs
Werkneemster is sinds 1996 in dienst van (de rechtsvoorganger van) de Vereniging voor Gereformeerd Primair Onderwijs (hierna: de vereniging). Laatstelijk is zij werkzaam als onderwijsassistent en administratief medewerkster op een school. In de statuten van de vereniging is bepaald dat het personeel belijdend lid moet zijn van een van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). In de akte van benoeming is opgenomen dat het niet langer lid zijn van een van de kerken wordt aangemerkt als een grond voor ontslag. Begin maart 2011 heeft werkneemster haar lidmaatschap van de vrijgemaakte Gereformeerde Kerk opgezegd. Ze is vervolgens ontslagen en stelt thans dat het ontslag kennelijk onredelijk is.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vereniging heeft voldoende uiteengezet dat de eis van een lidmaatschap van een van de vrijgemaakte Gereformeerde of Christelijk Gereformeerde kerken door haar nodig wordt geacht voor de verwezenlijking van de grondslag van de vereniging zoals dat is omschreven in haar statuten. Werkneemster was hiervan op de hoogte. De vereniging mocht de dienstbetrekking met werkneemster beëindigen toen zij niet langer lid was van een vrijgemaakte Gereformeerde of Christelijk Gereformeerde Kerk. Het ontslag is echter wel kennelijk onredelijk op grond van het gevolgencriterium. Werkneemster is 57 jaar oud en is 15 jaar in dienst geweest. Zij heeft naar tevredenheid gefunctioneerd. Het wordt de vereniging aangerekend dat pas na de ontslagaanzegging een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden om samen te zoeken naar een bevredigende oplossing. Voorts wordt rekening gehouden met de slechte arbeidsmarktpositie van werkneemster en dat zij gedurende langere tijd is aangewezen op een WW-uitkering. Een vergoeding van € 300 bruto per maand gedurende 24 maanden (in totaal € 7.200 bruto) als aanvulling op de WW-uitkering wordt in dit geval passend geacht.