Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Academisch Ziekenhuis Maastricht
Hoge Raad, 21 december 2012
ECLI:NL:HR:2012:BY4913

werknemer/Academisch Ziekenhuis Maastricht

Vordering tot schadevergoeding wegens niet bevorderen tot UHD-schap en tegenwerken van carrière uroloog door Academisch Ziekenhuis Maastricht verjaard. Geen beroep gedaan op artikel 6:248 BW om verjaring buiten werking te stellen

Werknemer (1948) is met ingang van 1 maart 1988 als ambtenaar in de zin van het ARAR in vaste dienst aangesteld als uroloog bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht (hierna: azM). In de aanstellingsbrief staat opgenomen dat tevens wordt getracht werknemer een UHD-positie te geven bij de Rijksuniversiteit Limburg. Nadat in 1992 door de toenmalige leidinggevende van werknemer nog een dringend beroep op de decaan van de Rijksuniversiteit Limburg is gedaan ter bevordering van het UHD-schap van werknemer, is de relatie tussen werknemer en zijn werkgever veranderd. Uiteindelijk is hij nimmer benoemd tot UHD en per 2005 eervol ontslagen. Thans vordert hij schadevergoeding ad € 973.036,54 wegens carrièreschade, € 50.000 aan smartengeld en € 81.615,66 wegens kosten ter vaststelling van schade en verkrijging van voldoening buiten rechte. Werknemer heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat azM jarenlang onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door, kort gezegd, zijn carrière als uroloog te dwarsbomen. Volgens werknemer heeft met name X, een interim-bestuurder, de wens gehad werknemer uit azM te werken met alle gevolgen van dien. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen van werknemer zijn verjaard. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Het feit dat azM tussen 2000 en 2005 geen verdere stappen heeft ondernomen in het kader van het UHD-schap, is evenmin onrechtmatig nu de aanstelling van werknemer ter zake een inspannings- en geen resultaatsverbintenis bewerkstelligde. Het azM heeft voldoende ter zake gedaan, aldus het hof.

De A-G concludeert als volgt. Uit diverse stukken leidt ook de A-G af dat werknemer op of omstreeks 2000 duidelijk moest zijn geweest dat het azM werknemer eruit wilde werken. De vorderingen zijn derhalve verjaard. De A-G merkt hierover nog op: Erg bevredigend is deze uitkomst (wellicht) niet. Met name ook niet omdat best voorstelbaar is waarom werknemer het in of rond 2000 niet heeft aangedurfd zijn kansen elders te beproeven. Men kan zich eveneens indenken dat werknemer er in de toch al gecompliceerde verhoudingen niet veel been in zag om azM toen al in rechte te betrekken. Wellicht zou onder dergelijke omstandigheden de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid werknemer thans uitkomst hebben kunnen bieden. Daarop is evenwel noch in appel, noch ook in cassatie beroep gedaan. Cassatietechnisch is niet mogelijk hieraan een mouw te passen, gesteld al dat een beroep op dit leerstuk werknemer had kunnen baten.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.