Rechtspraak
Hoge Raad, 21 december 2012
ECLI:NL:HR:2012:BX9023
eiseres/Stichting Bestuursassistentie Christen Democratisch Appel
In de periode 2002 t/m 2004 is aan fractieleden van onder meer CDA en VVD forfaitaire onkostenvergoedingen uitgekeerd. Nadat prof. Elzinga tot de conclusie is gekomen dat de forfaitaire vergoedingen in strijd zijn met artikel 99 Gemeentewet, heeft de gemeente een bedrag van € 43.496 teruggevorderd van de Stichting. De Stichting CDA heeft dit bedrag terugbetaald. Eiseres heeft een deel van de vergoedingen terugbetaald. De Stichting vordert betaling van genoemde € 10.000 op grond van onder meer onverschuldigde betaling. Daartoe stelt zij dat de gedane betalingen in strijd zijn met artikel 99 Gemeentewet. Volgens eiseres is van die strijd geen sprake, althans wist zij niet en behoefde zij niet te weten dat van die strijd sprake is, en is er geen grond voor terugbetaling. Hiernaast heeft eiseres onder meer een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en het feit dat zij de ontvangen vergoeding heeft aangewend voor uitgaven in verband met haar functie als voorzitter van de raadsfractie. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Zij heeft geoordeeld dat zowel het besluit van de Stichting tot betaling, als de uitbetaling door de Stichting van de forfaitaire onkostenvergoedingen aan de raadsleden, in strijd is met hetgeen is bepaald in artikel 99 Gemeentewet en op grond van artikel 2:14 BW dan wel 3:40 lid 2 BW nietig is. De rechtbank was van oordeel dat de Stichting daarom de betaalde bedragen als onverschuldigd betaald kan terugvorderen.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Gelet op deze inhoud en strekking van het verbod van artikel 99 Gemeentewet, heeft het hof terecht geoordeeld dat de toekenning van de vergoedingen door de Stichting in strijd komt met dat verbod en daarom op grond van artikel 3:40 lid 2 BW nietig is. Aan dat oordeel doet niet af dat de toekenning van de vergoedingen niet door de gemeente heeft plaatsgevonden, maar door de Stichting. Gelet op genoemde strekking en gezien de inhoud van het verbod – het verbod is niet uitsluitend gericht tot de gemeente –, valt de onderhavige toekenning door de Stichting van de vergoedingen uit gelden die van de gemeente zijn ontvangen voor fractieondersteuning, immers mede onder dat verbod. Het hof heeft geoordeeld dat, anders dan eiseres heeft aangevoerd, de door haar van de betalingen van de Stichting gedane uitgaven niet in aanmerking komen voor vergoeding onder de Verordening op de fractieondersteuning, nu zij geen uitgaven betreffen die zijn te rekenen tot fractieondersteuning in de zin van die verordening, maar louter betrekking hebben op individuele kosten van eiseres als raadslid. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. In dit oordeel ligt besloten dat het hof tevens het in het onderdeel bedoelde beroep van eiseres op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongegrond heeft geoordeeld. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. Het beroep van eiseres op artikel 2:16 lid 2 BW faalt. Anders dan zij stelt, is het besluit (de rechtshandeling) van de Stichting als zodanig nietig en gaat het niet om de interne nietigheid van het besluit.