Naar boven ↑

Rechtspraak

FireSense Benelux B.V./SenseTek B.V. c.s.
Rechtbank Amsterdam, 14 november 2012
ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8226

FireSense Benelux B.V./SenseTek B.V. c.s.

Onrechtmatige concurrentie werknemers na oprichting eigen onderneming die zich richt op handel in branddetectieproducten

Werknemers zijn in dienst geweest van FireSense. Op hun arbeidsovereenkomst is een concurrentie- en relatiebeding van toepassing. Werknemers hebben hun arbeidsovereenkomst opgezegd en hebben de onderneming SenseTek opgericht of hebben aangegeven bij een concurrent in dienst te willen treden. Kidde heeft de met FireSense gesloten distributieovereenkomst opgezegd en aangegeven dat SenseTek voortaan de distributeur zal zijn. Kern van het geschil is of sprake is van onrechtmatige concurrentie door SenseTek en de werknemers en of de werknemers in strijd handelen met het concurrentiebeding.

De voorzieningenrechter oordeelt dat sprake is van onrechtmatige concurrentie door SenseTek en de werknemers. De werknemers hebben zich niet beperkt tot het feitelijk informeren van Kidde, maar zijn er daarnaast toe overgegaan om Kidde over te halen om, anders dan Kidde aanvankelijk van plan leek, het bestaande contract met FireSense op te zeggen en in plaats daarvan een overeenkomst te sluiten met de door hen op te zetten onderneming SenseTek. Dit kan niet anders worden gekwalificeerd dan het afnemen van leveranciers door misbruik te maken van kennis en gegevens die in het kader van de dienstbetrekking zijn verkregen. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat twee werknemers gedurende hun dienstverband kopieën van bedrijfsgegevens van FireSense hebben gemaakt met het oogmerk deze te gaan gebruiken ten behoeve van hun eigen onderneming. In een eerder vonnis is al geoordeeld dat van schending van het concurrentiebeding geen sprake is, omdat het beding geen post-contractuele werking heeft en niet is gebleken dat de werknemers reeds voor het eindigen van het dienstverband met FireSense, actief concurrerende ondernemingsactiviteiten hebben ondernomen. In de onderhavige procedure zijn geen nieuwe feiten gesteld op basis waarvan thans anders moet worden geoordeeld. Het verbod tot het verrichten van concurrerende activiteiten wordt voor twee jaar toegewezen. Mede gelet op het feit dat tussen partijen reeds een bodemprocedure aanhangig is, wordt het gevorderde voorschot tot betaling van schadevergoeding afgewezen. Ook de vordering tot afgifte van stukken wordt wegens gebrek aan spoedeisend belang afgewezen. Naar verwachting zal de bodemrechter binnen (maximaal) enkele weken uitspraak doen in dit incident.