Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 1983 in dienst van Prefab Beton Vebo BV, een zustermaatschappij van werkgeefster. In juni 2007 is werknemer in dienst getreden van werkgeefster als technisch directeur. In de arbeidsovereenkomst is een afvloeiingsregeling opgenomen. Daarin is onder meer bepaald dat als de dienstbetrekking op initiatief van werkgeefster wordt beëindigd, werknemer één bruto maandsalaris ontvangt voor elk vol jaar dat zijn dienstbetrekking voor zijn 40ste levensjaar heeft voortgeduurd, 1,5 bruto maandsalaris voor elk vol jaar dat zijn dienstbetrekking na zijn 40ste levensjaar heeft voortgeduurd en dat hij twee bruto maandsalarissen ontvangt voor elk vol jaar dat zijn dienstbetrekking na zijn 50ste levensjaar heeft voortgeduurd. Werkgeefster heeft besloten de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen te beëindigen. Werkgeefster stelt dat toepassing van de overeengekomen afvloeiingsregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft zich op het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst beroepen. Verwezen is naar een maximale vergoeding van € 40.000 bruto zoals opgenomen in het sociaal plan. Of het sociaal plan er komt en of dat plan dan op werknemer van toepassing zal zijn, is echter nog onduidelijk. Werkgeefster heeft werknemer geen ondubbelzinnig voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde gedaan, zodat het beroep op artikel 7:613 BW faalt. Om dezelfde reden faalt ook het beroep op artikel 7:611 BW en de arresten Van der Lely/Taxi Hofman en Stoof/Mammoet. Ten aanzien van het beroep op artikel 6:248 BW en 6:258 BW wordt geoordeeld dat in de bodemprocedure zal moeten worden beoordeeld of werkgeefster de toegezegde vergoeding inderdaad niet kan betalen, zoals zij stelt en werknemer heeft betwist. Gelet op de hevigheid van de crisis in de bouwwereld en uitgaande van een financiële situatie zoals door werkgeefster geschetst, kan niet kan worden uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat werknemer recht heeft op een beëindigingsvergoeding van € 365.256 bruto. Wel is het voorshands aannemelijk dat werkgeefster een beëindigingsvergoeding van € 40.000 bruto, zoals opgenomen in het sociaal plan, zal kunnen voldoen en dat de bodemrechter, gelet op het aantal dienstjaren van werknemer en op zijn laatstverdiende salaris, ook ten minste dit bedrag zal toewijzen. Dit bedrag wordt als voorschot op de beëindigingsvergoeding toegewezen.