Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Zorgverlening ’s-Heeren Loo/werkneemster
Gerechtshof Amsterdam, 15 januari 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8866

Stichting Zorgverlening ’s-Heeren Loo/werkneemster

Zorginstelling aansprakelijk voor schade ten gevolge van agressief gedrag van patiënt jegens behandelaar. Schending zorgplicht bestaande uit het niet aanbieden van herhalingscursussen agressie- en conflictbeheersing. Ervaring bij voorgaande werkgever (PI) niet van belang bij schending zorgplicht huidige werkgever. De Rooyse Wissel

(Hoger beroep van AR 2011-0565.) Werkneemster is werkzaam bij zorginstelling ’s-Heeren Loo waarbij zij werkt met agressieve en moeilijk opvoedbare jongeren. De groep waarbij werkneemster werkzaam was, stond als ‘moeilijk’ bekend. Binnen deze groep bestond een verhoogd risico op agressie door de bewoners. De werkneemster is tijdens haar werkzaamheden aangevallen door een van de jongeren en heeft daarbij schade opgelopen (zij kreeg een duw en is tegen de muur/kast gevallen). De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden door het niet aanbieden van herhalingscursussen agressie- en conflictbeheersing. Tegen dit oordeel keert ’s-Heeren Loo zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat indien vaststaat dat de werknemer schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, het aan de werkgever is te stellen en zonodig te bewijzen, kort gezegd, dat hij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. Weliswaar is, zoals de Hoge Raad bij herhaling omtrent artikel 7:658 BW heeft overwogen, met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen meebrengen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (vgl. HR 12 december 2008, LJN BD3129). Artikel 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de werkzaamheden en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (vgl. HR 11 april 2008, LJN BC9225). Indien de werkgever ter onderbouwing van zijn verweer dat hij de in lid 1 van artikel 7:658 genoemde verplichtingen is nagekomen voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert, zij het dat aan die motivering niet zodanig hoge eisen mogen worden gesteld dat in betekenende mate afbreuk wordt gedaan aan de strekking van artikel 7:658 lid 2 de werknemer door verlichting van zijn processuele positie bescherming te bieden tegen de risico’s van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden (vgl. HR 25 mei 2007, LJN BA3017). Het hof verwijst in dit verband ook naar het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2011, LJN BR5223.

Bij afweging van alle feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ’s-Heeren Loo tekort is geschoten in haar in artikel 7:658 lid 1 BW omschreven zorgplicht omdat zij heeft nagelaten voldoende specifieke maatregelen te treffen ter voorkoming van door werkneemster te lijden schade tijdens de uitoefening van de werkzaamheden en omdat zij niet heeft zorggedragen voor de noodzakelijke herhalingstrainingen op het gebied van conflict- en agressiebeheersing. De door ’s-Heeren Loo getroffen algemene maatregelen wegen daar niet, althans onvoldoende tegen op. Bij het voorgaande acht het hof niet van belang of werkneemster zelf bij herhaling aandacht heeft gevraagd voor de situatie op de afdeling/op de groep of heeft gewezen op de instabiele situatie. De ernst van de problematiek van de groep waarop werkneemster werkzaam was, was voldoende bekend bij ’s-Heeren Loo. Onder die omstandigheden rust in de eerste plaats op de werkgever, in dit geval ’s-Heeren Loo, de (wettelijke) verplichting om adequate veiligheidsmaatregelen te nemen en om erop toe te zien dat de veiligheid op de werkvloer blijvend wordt gewaarborgd. De door werkneemster genoten opleiding en haar werkervaring in een penitentiaire inrichting, waardoor zij ervaring had met agressie- en conflictbeheersing, kan evenmin afbreuk doen aan het feit dat ’s-Heeren Loo in haar in artikel 7:658 lid 1 BW omschreven zorgplicht is tekortgeschoten. Volgt bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter.