Rechtspraak
werknemer/Stichting Livio
Werknemer is op 9 juli 2012 als basisarts in dienst getreden van Livio. In december 2012 is Livio er door de inspectie op gewezen dat werknemer een crimineel verleden heeft. Werknemer heeft toegegeven in detentie te hebben gezeten. Livio stelt dat werknemer openheid van zaken had moeten geven over het gat van acht jaar in zijn cv en dat het vertrouwen van Livio ernstig is geschonden door dat niet te doen. Werknemer is geschorst. Zijn arbeidsovereenkomst eindigt per 1 maart 2013 van rechtswege. Thans vordert werknemer wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nadat werknemer door Start People is voorgedragen, is door de leidinggevende van Livio niet doorgevraagd naar het gat in het cv. Werknemer heeft niet de plicht om uit zichzelf opening van zaken te geven omtrent zijn verleden. Partijen dienen, aldus de Hoge Raad, hun gedrag mede te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Dit brengt met zich, zo concludeert de kantonrechter, dat werknemer had moeten praten, indien er een reëel recidivegevaar zou ontstaan, indien werknemer de werkzaamheden zou gaan uitvoeren. Dit laatste doet zich echter niet voor. Daarnaast mag toch zeker niet onvermeld blijven dat Livio haar onwetendheid voor een zeer groot deel aan haarzelf te wijten heeft door niet naar het verleden van werknemer te vragen, terwijl daarvoor alle redenen en aanwijzingen aanwezig waren. Dat nu sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk lijkt wat overdreven. Het lijkt niet fair om de gevolgen van haar eigen onjuist handelen geheel en al voor rekening van werknemer te laten komen. Dat gebeurt immers als de vordering van werknemer wordt afgewezen: hij zal naar alle waarschijnlijkheid na alle commotie in de media over deze zaak nergens een stageplaats kunnen bemachtigen! Werknemer dient binnen een week weer tot zijn werkzaamheden te worden toegelaten.