Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Livio/werknemer
Rechtbank Oost-Nederland, 18 februari 2013
ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1362

Stichting Livio/werknemer

Verplichting tot wedertewerkstelling basisarts die in sollicitatiefase heeft gezwegen over strafrechtelijke veroordeling. Hoewel de indruk bestaat dat Livio geen terugkeer van werknemer duldde en geen uitvoering wilde geven aan het vonnis, wordt dwangsom opgeheven vanwege voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst

Werknemer, in dienst van Livio als basisarts, is geschorst nadat Livio erachter is gekomen dat werknemer tijdens de sollicitatieprocedure heeft gezwegen over zijn strafrechtelijk verleden (veroordeling tot een gevangenisstraf van 15 jaar voor een poging tot moord op zijn ex-echtgenote in 2003). De gevorderde wedertewerkstelling is toegewezen (zie AR 2013-0081), op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte van een dag dat Livio in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan de veroordeling te voldoen. Het bedrag dat Livio ter zake die dwangsom maximaal zal verbeuren is vastgesteld op € 45.000. Livio heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend. Livio vordert thans de dwangsom ex artikel 611d Rv op te heffen. Livio legt aan haar vordering ten grondslag dat er na het vonnis een situatie is ontstaan van blijvende gehele onmogelijkheid voor haar om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Er is veel publiciteit rond de zaak en binnen Livio kan en wil de medisch coördinator geen verantwoordelijkheid meer dragen voor werknemer. Daarnaast willen patiënten niet meer door werknemer behandeld worden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De bepaling van artikel 611d Rv dient restrictief te worden uitgelegd en toegepast. De kantonrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat Livio terstond na het wijzen van het vonnis onder geen beding terugkeer van werknemer naar de werkvloer duldde. Tekenend in dat kader zijn de uitlatingen van de bestuurder van Livio in de media direct na het gewezen kortgedingvonnis. De verklaring van de medisch coördinator en een andere collega kunnen naar voorlopig oordeel niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van onmogelijkheid als bedoeld in artikel 611d Rv. Met de waardering van dergelijke verklaringen van werknemers van een van partijen, ten aanzien van wie een gezagsverhouding bestaat, dient terughoudend te worden omgegaan. Anders ligt dat als het gaat om de onrust die bij patiënten leeft en hun familieleden. Omdat de oorzaak van de onrust deels door Livio in de hand is gewerkt door de uitlatingen van haar bestuurder tegenover de pers en door niet terstond uitvoering te geven aan het vonnis, wordt om die reden niet op deze grond tot opheffing, matiging of schorsing van de dwangsom overgegaan. Wel dient opheffing plaats te vinden nu gelijktijdig met de uitspraak van het onderhavige vonnis, bij beschikking de voorwaardelijke ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zal worden uitgesproken met ingang van 1 maart 2013, voor zover per die datum (nog) een arbeidsovereenkomst tussen partijen zou bestaan (zie AR 2013-0128). De dwangsom wordt met ingang van 18 februari 2013, de datum waarop partijen bekend worden met de voorwaardelijke ontbinding, opgeheven.