Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV Bondgenoten c.s./CBW-Mitex c.s.
Rechtbank Midden-Nederland, 20 februari 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1469

FNV Bondgenoten c.s./CBW-Mitex c.s.

Verrekening van loonsverhoging die in afwachting van langslepende cao-onderhandelingen aan werknemers in mode- en sportdetailhandel is toegekend is toegestaan, hoewel verrekeningsmogelijkheid niet in nieuwe cao is opgenomen

FNV Bondgenoten en CNV Dienstenbond zijn aan werknemerszijde partij geweest bij de CAO 2008-2010 en CAO 2010-2012 voor de Mode- & Sportdetailhandel. Aan werkgeverszijde zijn deze cao’s afgesloten door CBW-Mitex, werkgeversorganisatie in de branche. VAB behartigt de belangen van ondernemers die op franchisebasis een Hema-warenhuis exploiteren. VAB neemt deel aan de cao-onderhandelingen, maar is zelf geen partij bij de cao. Haar leden zijn tevens lid van CBW-Mitex en uit hoofde van dat lidmaatschap aan de cao gebonden. De cao heeft steeds een minimumkarakter gehad. Omdat de onderhandelingen over de nieuwe cao’s steeds moeizaam verliepen, hebben de VAB-leden na expiratie van de cao in verband met het uitblijven van een nieuwe cao de garantielonen van hun werknemers met ingang van 1 juli 2008 verhoogd met 2%. Toen de onderhandelingen over een nieuwe cao begin 2009 nog immer niet tot resultaat hadden geleid, hebben de VAB-leden besloten hun werknemers met ingang van 1 februari 2009 wederom een loonsverhoging toe te kennen, ditmaal van 1,5%. De CAO 2008-2010 is in september 2009 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 afgesloten. De cao bevat per 1 oktober 2009 een loonsverhoging van 2%. In deze cao is een verrekeningsmogelijkheid opgenomen voor loonsverhogingen die na 1 januari 2008 aan medewerkers zijn toegekend vanwege het uitblijven van een nieuwe cao. De VAB-leden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De CAO 2010-2012 is in mei 2011 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2010 afgesloten met daarin een loonsverhoging van 2% per 1 juli 2011. De verrekeningsmogelijkheid is niet in deze cao teruggekeerd. Kern van het geschil is thans of de werkgevers de loonsverhoging uit de cao per 1 juli 2011 mogen verrekenen met de eerder toegekende verhoging per 1 februari 2009.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het beroep op pakketvergelijking zoals in het arrest Boonen/Quicken (HR 14 januari 2000, NJ 2000, 273) en nawerking van de verrekeningsmogelijkheid op grond van het arrest Abvakabo FNV/Unieke Kinderopvang (HR 8 april 2011, NJ 2011, 371) faalt, omdat deze situaties zich in het onderhavige geschil niet voordoen. Dat de verrekeningsmogelijkheid in artikel 6.2 van de CAO 2010-2012 niet meer voorkomt, leidt evenwel niet tot de slotsom dat de werkgevers de loonsverhoging per 1 februari 2009 niet mochten verrekenen met de cao-loonsverhoging met ingang van 1 oktober 2009. Uit het vervallen van de verrekeningsmogelijkheid, zoals die in de voorafgaande cao’s nog wél voorkwam, kan naar objectieve maatstaven niet worden afgeleid dat artikel 6.2 van de CAO 2010-2012 aan een dergelijke verrekening in de weg staat, indien daarvoor in de individuele arbeidsovereenkomst en de daarop toepasselijke wettelijke bepalingen een deugdelijke grondslag bestaat. De tekst van de cao biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Een dergelijk rechtsgevolg is ook niet aannemelijk. Het komt er daarom op aan of de werkgevers zich, zoals zij hebben betoogd, jegens hun werknemers terecht hebben beroepen op het voorschotkarakter en de tijdelijkheid van de per 1 februari 2009 toegekende loonsverhoging. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. De brieven die de werkgevers bij gelegenheid van de toegekende loonsverhogingen per 1 juli 2008 en 1 februari 2009 aan hun werknemers hebben gestuurd, laten geen onduidelijkheid bestaan over de wijze waarop die toegekende loonsverhoging(en) in de individuele arbeidsverhoudingen moet(en) worden geduid. Met de verwijzing naar de stroef lopende cao-onderhandelingen, op de uitkomst waarvan werd geanticipeerd, en door de gebruikte terminologie, hebben de werkgevers er geen misverstand over laten bestaan dat (ook) de toegekende loonsverhoging per 1 februari 2009 ‘tijdelijk (is) in afwachting van de totstandkoming van een nieuwe cao’, zal ‘komen te vervallen zodra er een nieuwe cao is gesloten’ en ‘als een voorschot’ op een nieuwe cao-loonsverhoging moet worden beschouwd. De werkgevers zijn derhalve niet verplicht om aan hun werknemers met ingang van 1 juli 2011 de in de CAO 2010-2012 afgesproken loonsverhoging van 2% toe te kennen over het tot die datum voor hen geldende, dus per 1 februari 2009 al verhoogde, loon. Zij mochten zich ertoe beperken dit loon met ingang van 1 juli 2011 te verhogen met 0,5%, zijnde het verschil tussen de in de CAO 2010-2012 afgesproken loonsverhoging (van 2%) en de per 1 februari 2009 reeds toegekende loonsverhoging (van 1,5%). Hierop stuiten alle onderdelen van de vordering van de vakbonden af.