Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 februari 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ2604
werknemer/Drukkerij Prima B.V.
Prima heeft twee keer verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden. Beide ontbindingsverzoeken zijn door Prima ingetrokken. Thans verzoekt werknemer ontbinding. Hij stelt onder meer dat de weigering het loon te betalen niet getuigt van goed werkgeverschap. Ondanks het intrekken van de verzoeken, streeft Prima geen vruchtbare samenwerking na, maar dwingt hem in feite om zelf ontbinding te verzoeken of ontslag te nemen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Naast de twee ontbindingsverzoeken van de zijde van Prima is door werknemer reeds tweemaal een loonvordering in kort geding aanhangig gemaakt, waarin in beide gevallen Prima is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon. Aan het tweede vonnis is nog steeds niet voldaan. Het niet op de daarvoor bepaalde tijden voldoen van het loon aan de werknemer levert reeds een dringende reden als bedoeld in artikel 7:679 BW op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Voorts heeft Prima geen enkele verzoeningspoging ondernomen of tenminste getracht een dialoog met werknemer op gang te brengen, hetgeen reeds getuigt van slecht werkgeverschap, terwijl zij bovendien de proceskosten niet aan werknemer heeft voldaan, ondanks dat zij daartoe in beide ontbindingsbeschikkingen is veroordeeld. De omstandigheid dat zij geen pogingen heeft ondernomen werknemer op te roepen tot het verrichten van werkzaamheden, althans hem arbeidsongeschikt te melden bij een arboarts, levert in de onderhavige omstandigheden eveneens een dringende reden op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Na de twee eerdere ontbindingsverzoeken is evident dat de verstoorde arbeidsrelatie is blijven voortduren, en als gevolg van het vorenstaande nog verder is verslechterd. De arbeidsovereenkomst wordt derhalve opnieuw ontbonden. De toegenomen verslechtering van de arbeidsverhouding is te verwijten aan Prima. Aannemelijk is dat de financiële situatie van werknemer niet bijdraagt aan een verbetering van zijn psychische gesteldheid, terwijl die financiële situatie wordt veroorzaakt door Prima. Dat Prima zelf in slechte financiële omstandigheden verkeert, doet daaraan niet af en die omstandigheid kan niet worden tegengeworpen aan werknemer. Werknemer wordt een vergoeding toegekend van € 27.752,45 bruto (C=1). Hiermee wordt, ondanks het feit dat Prima haar stellingen ten aanzien van haar benarde financiële positie onvoldoende heeft onderbouwd, voldoende rekening gehouden met haar financiële situatie. Nu werknemer meermaals door toedoen van Prima is genoodzaakt hoge kosten voor rechtsbijstand te maken, wordt afgeweken van het liquidatietarief en wordt aan salaris gemachtigde het gevorderde bedrag van € 3.520 toegewezen.