Rechtspraak
Hoge Raad, 15 maart 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY7848
werknemer/Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden en Rijnstreek
Vervolg op HR 3 september 2010, AR 2010-0692 en het verwijzingsarrest van het Hof Amsterdam, AR 2012-0850. Werknemer (1949) is in 1988 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) de hogeschool. Werknemer is in 2001 uitgevallen wegens spanningsklachten. In 2002 heeft werknemer zijn werkzaamheden weer hervat. In 2003 is werknemer opnieuw uitgevallen. Nadat de bedrijfsarts geen medische beperkingen meer aanwezig achtte en de WAO-aanvraag niet langer in behandeling werd genomen door het UWV, heeft de hogeschool werknemer weer opgeroepen voor zijn werkzaamheden. Werknemer stelde zich op het standpunt dat hij niet in staat was de werkzaamheden te verrichten. Op 3 september 2004 heeft werknemer de bedrijfsarts bij de keel gegrepen en gedreigd een stoel naar diens hoofd te gooien. Werknemer is diezelfde dag op staande voet ontslagen. Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een dringende reden en voorts dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Daarbij is aan werknemer een vergoeding conform de kantonrechtersformule maal 0,7 toegekend (de zogenoemde Haagse formule). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het ontslag op staande voet. Onder verwijzing naar Van de Grijp/Stam en Rutten/Breed heeft de Hoge Raad wel het oordeel inzake kennelijk onredelijk ontslag onjuist geoordeeld en de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam. Het Amsterdamse hof heeft vervolgens de opzegging niet kennelijk onredelijk geoordeeld. Van belang achtte het hof dat werknemer dusdanig ontoelaatbaar gedrag heeft getoond jegens de bedrijfsarts, dat een ontslag zonder vergoeding redelijk is. Het lange dienstverband en de hoge leeftijd van werknemer deden hieraan niets af. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.