Rechtspraak
werknemer/werkgever
(Hoger beroep van AR 2010-0759.) Werknemer (geboren 1958) is sinds 1999 in dienst van werkgever in de functie van vrachtwagenchauffeur. In verband met bedrijfseconomische redenen heeft werkgever op 20 mei 2009 een ontslagvergunning aangevraagd voor een aantal werknemers, waaronder ook werknemer. In verband met onduidelijkheden over deze ontslagaanvraag, heeft werkgever op 6 juli 2009 – op voorstel van een beslisambtenaar van het UWV WERKbedrijf – een nieuwe ontslagaanvraag ingediend. Inmiddels was werknemer vanwege een ongeval op 4 juni 2009 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Met toestemming van het UWV WERKbedrijf heeft werkgever de arbeidsovereenkomst per 14 oktober 2009 opgezegd. Werknemer heeft de nietigheid van de opzegging ingeroepen wegens het opzegverbod tijdens ziekte. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt in dit geval het opzegverbod niet.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat werkgever zich in de gegeven omstandigheden kan beroepen op de uitzondering van artikel 7:670 lid 1 sub b BW. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de tweede door werkgever ingediende ontslagaanvraag van 2 juli 2009 (bij UWV op 6 juli 2009 ingekomen), gezien het moment waarop en de omstandigheden waaronder deze door werkgever is ingediend, in het kader van de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van werknemer door ziekte voor of na de indiening van een ontslagaanvraag is ingetreden niet mag worden beschouwd als een zelfstandige (nieuwe) ontslagaanvraag, aangezien die aanvraag niet losgezien kan worden van de ontslagaanvraag van werkgever van 20 mei 2009 die bij UWV op 25 mei 2009 is ingekomen en moet worden beschouwd als een stap in de met die aanvraag ingeleide procedure. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, is ook het hof van oordeel dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat bij de beoordeling van de vraag of werknemer voor of na indiening door werkgever van een ontslagaanvraag door ziekte ongeschikt voor zijn werk is geworden, de datum van inontvangstname van het (eerste) verzoek op 25 mei 2005 beslissend moet worden geacht.
De vordering uit kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen. Er is sprake van voorgewende redenen noch van een geslaagd beroep op het gevolgencriterium.