Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland, 10 april 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6242
CSU Cleaning Services B.V./X B.V., h.o.d.n. Kompas Uitzend- & Personeelsdiensten
Tussen Kompas en CSU is laatstelijk in 2009 een raamovereenkomst tot stand gekomen, waarin is bepaald dat Kompas aan CSU arbeidskrachten ter beschikking stelt. In artikel 8 is het volgende bepaald: ‘Uitlener verbindt zich jegens inlener om alle voorschriften, bepalingen, besluiten, geldende collectieve arbeidsovereenkomst(en) en door de bevoegde instanties vastgestelde loonregelingen of overige instructies zo na te leven en in acht te nemen als inlener deze zou moeten naleven en in acht nemen indien inlener de werkzaamheden zelf zou moeten uitvoeren.’ In artikel 8a is bepaald dat de uitlener de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf zal naleven, behalve als er een andere cao van toepassing is. De kern van het geschil betreft de vraag of Kompas op grond van artikel 8 en 8a van de raamovereenkomst verplicht was de arbeidskrachten die zij in 2009 en 2010 voor het verrichten van schoonmaakwerk aan CSU ter beschikking heeft gesteld te belonen overeenkomstig de Schoonmaak-cao 2008-2009 en 2010-2011, óók nu de bepalingen van de ABU-Uitzend-cao 2009-2011, op grond waarvan aan de uitzendkrachten een lager loon toekwam, in die periode (van 29 maart 2009 tot en met 27 maart 2011) algemeen verbindend waren verklaard.
De rechtbank oordeelt als volgt. Nu het in dit geding gaat om het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van artikel 1 WAADI, is artikel 8 WAADI van toepassing, dat de zogenoemde loonverhoudingsnorm tot uitgangspunt neemt. De wet geeft geen conflictregel aan de hand waarvan moet worden bepaald welke cao voorrang heeft ingeval zowel op de uitlener als op de inlener een cao van toepassing is die een nadere regeling inhoudt. Deze situatie doet zich hier voor. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever het aan de betrokken partijen zelf overgelaten om hierover nadere afspraken te maken. Dat hebben partijen gedaan in artikel 8 en 8a van de raamovereenkomst. Deze artikelen dienen te worden uitgelegd conform de Haviltex-norm. Een objectieve uitleg leidt de rechtbank tot de conclusie dat de uitzondering, zoals verwoord in de bijzin van artikel 8a – ‘behalve als er een andere cao van toepassing is’ –, beperkt moet worden begrepen, en wel in die zin dat het in artikel 8 omschreven uitgangspunt, te weten: toepassing van de inlenersbeloning (volgens de Schoonmaak-cao), slechts dan geen toepassing vindt, indien de uitlener-cao (in dit geval de ABU-Uitzend-cao) daaraan in de weg staat. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 8a in de raamovereenkomst uitdrukkelijk is aangemerkt als een nadere uitwerking van artikel 8, van welk beding ‘het algemene karakter’ wordt benadrukt. Voorts is enerzijds van belang dat de cao, waaraan CSU gebonden was, haar verplichtte zich ervan te verzekeren dat de Schoonmaak-cao ook zou worden nageleefd ten aanzien van de uitzendkrachten die bij haar te werk werden gesteld, terwijl anderzijds de ABU-Uitzend-cao, die Kompas in de periode van algemeenverbindendverklaring had toe te passen, een minimumkarakter had, en dus een afwijking ten gunste van de uitzendkrachten mogelijk maakte, en – ook in de eerste 26 weken van uitzending – de inlenersbeloning met zoveel woorden toestond. Dat het voor CSU niet doenlijk was om op de aan CSU ter beschikking gestelde arbeidskrachten de Schoonmaak-cao toe te passen, is niet gebleken. Kompas heeft de artikelen 8 en 8a van de raamovereenkomst overtreden door in de jaren 2009 en 2010 de door haar aan CSU ter beschikking gestelde arbeidskrachten lager te belonen dan had gemoeten indien zij hun werkzaamheden in dienst van CSU hadden verricht. De verschuldigde boete wordt gematigd tot € 10.000.