Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam, 13 februari 2013
ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0081
Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer B.V./werknemer
In mei 2008 hebben werkgeefster en werknemer een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Daarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst per 30 september 2009 met wederzijds goedvinden eindigt (einddatum). De einddatum kan desgewenst worden uitgesteld indien werknemer met ingang van 1 oktober 2009 100% levensloopverlof wenst op te nemen. In eerdere concepten van de vaststellingsovereenkomst stond: ‘De einddatum kan desgewenst worden uitgesteld indien werknemer met ingang van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2013 voor 100% levensloopverlof wenst op te nemen.’ Werkgeefster vordert te verklaren voor recht dat het levensloopverlof van werknemer zal eindigen op 31 augustus 2013.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op zich begrijpelijk verwijst werkgeefster naar de concept-vaststellingsovereenkomsten waarin een einddatum voor het levensloopverlof staat. Haar uitleg dat om technische redenen die einddatum uit de definitieve vaststellingsovereenkomst is verdwenen overtuigt echter allerminst. Werknemer van zijn kant heeft aangevoerd dat werkgeefster inderdaad in het kader van de onderhandelingen als uitgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst de datum van 1 september 2013 heeft genoemd. Omdat hij de financiële consequenties daarvan niet kon overzien heeft hij die datum uit de overeenkomst laten schrappen. Partijen dienen derhalve in goed overleg tot een einddatum van het levensloopverlof en daaraanvolgende de arbeidsovereenkomst te komen, aldus werknemer. Ook dit standpunt is onaannemelijk. Het is immers ongebruikelijk om bij een vaststellingsovereenkomst over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst zoiets wezenlijks als de einddatum van de arbeidsovereenkomst in het midden te laten terwijl daar voor beide partijen aanzienlijke belangen mee zijn gemoeid.
Niet staat vast wat de uitgestelde einddatum is waarover in de vaststellingsovereenkomst wordt gesproken. Daarom wordt beoordeeld of de redelijkheid en de billijkheid met zich brengen dat werknemer gebonden is aan de einddatum van zijn levensloopverlof van 30 september 2013 zoals werkgeefster heeft betoogd. Onvoldoende bestreden is dat werkgeefster, in het kader van de vaststellingsovereenkomst, aan werknemer betalingen heeft gedaan die ongeveer overeenkomen met de neutrale kantonrechtersformule. Die formule wordt niet gehanteerd indien de beëindiging plaatsvindt op initiatief van de werknemer. Dat werknemer ondanks de betalingen van werkgeefster inkomensverlies lijdt na pensionering is niet aan werkgeefster te wijten maar aan zijn eigen wens om vervroegd met werken op te houden. Dat hij in 2008 nog steeds niet de gevolgen van de wetgeving uit 2005 over het prepensioen kon overzien kan hij ook slechts zichzelf aanrekenen. Ten slotte is hij, voordat hij met levensloopverlof ging, nog gewaarschuwd dat werkgeefster niet akkoord ging met de door hem gewenste einddatum daarvan. Werknemer kon weten dat hij, ingevolge het reglement, niet eenzijdig de einddatum van het levensloopverlof kon bepalen. Dit alles in aanmerking genomen wordt geoordeeld dat werknemer akkoord moet gaan met de uitgestelde einddatum van zijn levensloopverlof/arbeidsovereenkomst zoals door werkgeefster genoemd.