Rechtspraak
werkgeefster/werkneemster
Werkneemster is sinds 1994 in dienst van een museum, laatstelijk in de functie van coördinator ontvangsten, vaartochten en rondleidingen. Zij is sinds 29 november 2012 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Het museum is voor wat betreft haar inkomsten grotendeels afhankelijk van subsidies en donaties. Als gevolg van het door de gemeente Rotterdam per 1 januari 2013 verlagen van de subsidie aan het museum, vindt een reorganisatie plaats. Voor dertien werknemers, waaronder werkneemster, is door het UWV een ontslagvergunning verleend. Het museum heeft voor werkneemster een budget van € 3.000 tot € 3.500 gereserveerd ten behoeve van een begeleidingstraject via een mobiliteitsbureau. Thans verzoekt het museum ontbinding wegens bedrijfseconomische redenen. Het museum meent dat er geen termen zijn om aan werkneemster een vergoeding toe te kennen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het ontbindingsverzoek houdt geen verband met de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Gelet op de stukken die het museum heeft overgelegd, waaronder het reorganisatieplan – dat is voorzien van een gemotiveerde onderbouwing van de gemaakte keuzes – en hetgeen het museum ter zitting heeft aangevoerd, waarbij nog komt dat de raad van toezicht kennelijk geen aanleiding heeft gezien om in te grijpen, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat zij, geconfronteerd met de verminderde subsidie, niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om haar organisatie op de wijze in te richten zoals haar voor ogen staat en de arbeidsplaats van werkneemster te laten vervallen. Het door het actiecomité opgestelde alternatieve plan acht de kantonrechter niet van dien aard dat deze aan het vorenstaande doet twijfelen. Vaststaat bovendien dat het museum intern geen mogelijkheden heeft om werkneemster een andere functie aan te bieden. De arbeidsovereenkomst wordt derhalve ontbonden. Voldoende is gebleken dat de resultaten van het museum zeer mager zijn. Gelet hierop en op het bijzondere karakter van deze werkgever, waarbij het museum voor haar inkomsten grotendeels afhankelijk is van subsidies en donaties, en voorts gelet op het beginsel van gelijke behandeling (ook de andere werknemers ontvangen geen vergoeding) acht de kantonrechter geen termen aanwezig om aan werkneemster ten laste van het museum een vergoeding toe te kennen, hoe vervelend de onderhavige situatie ook is.