Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 mei 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:CA0784
werknemer/DEJO Schoonmaakorganisatie B.V.
Werknemer is met ingang van 31 augustus 1998 bij Dejo in dienst getreden als interieurverzorger. Het laatstgenoten brutomaandloon bedroeg € 2.309,20 bij een dienstverband van 38 uur. De CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf 2012-2013 (hierna: de cao) is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. Werknemer was werkzaam op het object Hoornbeek College te Amersfoort (hierna: het Hoornbeek) in de maanden april, mei en juni 2012 voor ongeveer 38 uur per week. Tot april 2012 was hij niet alleen op het Hoornbeek, maar ook op diverse andere objecten werkzaam. Het schoonmaakcontract van Dejo met betrekking tot het Hoornbeek is met ingang van 1 september 2012 geëindigd. Sindsdien is er een schoonmaakcontract tussen het Hoornbeek en Van de Pol Dienstverlening (hierna: Van de Pol). Dejo stelt zich op het standpunt dat werknemer vanaf deze datum in dienst is bij Van de Pol, omdat op grond van artikel 38 cao op Van de Pol een overnameverplichting rustte.
Het hof oordeelt als volgt. Nog los van de vraag of aanvaarding van een aanbod dat voldoet aan het in artikel 38 lid 3 van de cao bepaalde tot gevolg heeft dat de dienstbetrekking van de werknemer met het verliezende bedrijf van rechtswege eindigt, hetgeen Dejo lijkt te willen betogen, is naar het voorlopig oordeel van het hof – en anders dan Dejo heeft gesteld – voorshands niet aannemelijk geworden dat Van de Pol aan werknemer een passend aanbod heeft gedaan in de zin van artikel 38 lid 3 van de cao en/of dat werknemer enig aanbod in de zin van de cao van Van de Pol heeft aanvaard, laat staan een aanbod tot indiensttreding voor 38 uur per week. Aan de hand van de stellingen van partijen en het verhandelde ter zitting bij de pleidooien is het hof gebleken dat werknemer en Van de Pol in of omstreeks juni 2012 hebben gesproken over een mogelijk dienstverband, en over een eventuele praktische invulling daarvan. Dat Van de Pol aan werknemer een onvoorwaardelijk aanbod heeft gedaan bij haar in dienst te treden voor 38 uur per week is echter niet aannemelijk geworden. De inhoud van de door partijen ondertekende verklaring van 13 augustus 2012 maakt dit niet anders. Met inachtneming van de toelichting van beide partijen op deze verklaring volgt hieruit naar het voorlopig oordeel van het hof niet meer dan dat werknemer jegens Dejo verklaarde dat hij akkoord kon gaan met overname door Van de Pol van het dienstverband per 1 september 2012 voor 38 uur per week (in welk geval Dejo het salaris gedurende 6 maanden op de in de verklaring vermelde wijze zou aanvullen). Het hof heeft echter vastgesteld dat van een daartoe strekkend aanbod door Van de Pol voorshands niet is gebleken. Het feit dat werknemer zich na verloop van tijd vanwege het stoppen van loonbetalingen door Dejo financieel genoodzaakt achtte op 28 november 2012 een dienstverband aan te gaan met Van de Pol voor een beperkt aantal uren per week, zonder de arbeidsovereenkomst met Dejo op te zeggen, staat naar het oordeel van het hof niet aan toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen in de weg.