Rechtspraak
werkneemster/Enexis B.V.
Op 8 maart 2013 is de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en Enexis ontbonden (zie AR 2013-0279) wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Aan werkneemster is een vergoeding van € 35.000 bruto (C=0,5) toegekend. Thans verzoekt werkneemster herroeping van de ontbindingsbeschikking. Volgens werkneemster – en zulks is ook ter zitting door Enexis niet betwist – was Enexis er ten tijde van de zitting op 18 februari 2013 van op de hoogte dat de arbeidsovereenkomst met leidinggevende X ten einde zou komen (op korte termijn) en heeft zij gedaan alsof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werkneemster noodzakelijk was wegens de verstoorde arbeidsverhouding met X. Enexis heeft derhalve volgens werkneemster bedrog gepleegd door de indruk te wekken dat de aanwezigheid van werkneemster een probleem zou zijn, terwijl dat probleem, te weten de (beweerdelijk) verstoorde arbeidsverhouding met X, binnen korte tijd niet meer zou bestaan. Enexis had het aankomende vertrek van X dienen te vermelden, doch heeft er voor gekozen om ‘de onwaarheid te laten voortbestaan’.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Dat Enexis in de ontbindingsprocedure niet heeft gemeld dat de arbeidsovereenkomst met X op korte termijn zou eindigen, is Enexis als laakbaar aan te rekenen en in zekere mate zelfs als bedrog aan te merken. Zeker omdat ter zitting dezerzijds uitdrukkelijk navraag gedaan is naar het ontbreken van X bij de mondelinge behandeling en omdat zijdens Enexis daar zeer ontwijkend op gereageerd is. Niet gezegd is echter dat de beschikking van 8 maart 2013 ook op het geconstateerde bedrog dan wel het op het achterhouden van stukken van beslissende aard berust, zowel waar het de doorslaggevende overwegingen als waar het de beslissing betreft. Door te stellen dat de beschikking in hoofdzaak gebaseerd is op de beweerdelijk verstoorde verhouding tussen werkneemster en X, terwijl de kantonrechter uitging van het voortduren van het dienstverband met X, miskent werkneemster dat de ontbindingsbeschikking berust op een geconstateerde kloof tussen Enexis (niet: X) en werkneemster en op een impasse waar Enexis en werkneemster na ongeveer drie jaar niet uit hebben weten te ontsnappen. Bovendien is over het voortduren van het dienstverband met X in de beschikking met geen woord gerept. Indien de kantonrechter ten tijde van de ontbindingsprocedure geweten had dat X binnen afzienbare tijd zou vertrekken bij Enexis, had het oordeel dat sprake was van een inmiddels onoverbrugbare kloof tussen partijen, niet anders geluid. De verhoudingen tussen Enexis en werkneemster waren ook zonder de aanwezigheid van X te zeer verstoord geraakt. Ook de toegekende vergoeding is niet in beslissende mate beïnvloed door het feit dat de kantonrechter geen weet had van de ontwikkelingen ten aanzien van X. Volgt afwijzing van het herroepingsverzoek.