Rechtspraak
curator/Y BV
Q is in 1999 begonnen met een cateringbedrijf genaamd A. Daarnaast is hij een maaltijdbezorgdienst voor particulieren gestart. In dat kader heeft hij – in verband met de daarvoor benodigde auto’s – samenwerking gezocht met X die een autobedrijf had onder de naam ‘Garagebedrijf X’. Deze samenwerking is vormgegeven in Y BV, waarvan Q en X beide aandeelhouder waren. Vanaf 2005 ontving X een vaste vergoeding waarop looninhoudingen werden gedaan en is hij aangemeld bij het pensioenfonds. Vanaf 2008 verricht X geen werkzaamheden meer voor Y BV, maar ontvangt hij nog wel steeds de maandelijkse vergoeding. In maart 2008 is zonder succes onderhandeld over ‘beëindiging van het arbeidsverband’. X heeft zijn aandelen aangeboden aan Y BV en uiteindelijk verkocht aan een derde. In oktober 2011 is X failliet verklaard. Thans stelt de curator zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen X en Y BV en vordert hij loon. De kantonrechter heeft de vorderingen grotendeels toegewezen. In incidenteel hoger beroep stelt de curator zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte X het volle bewijs heeft laten leveren en niet is overgegaan tot omkering van de bewijslast ex artikel 7:610a BW.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof wijst erop dat artikel 7:610a BW slechts een vermoeden is en geen omkering van de bewijslast. De vraag of de kantonrechter toepassing had moeten geven aan genoemd bewijsvermoeden, is in deze zaak derhalve nog slechts van academisch belang. Voor het met succes inroepen van het vermoeden van artikel 7:610a is nodig dat vaststaat dat de één ten behoeve van de ander tegen beloning gedurende ten minste drie opvolgende maanden wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid heeft verricht. In deze procedure stond bij aanvang wel vast dat X gedurende langere tijd een beloning heeft ontvangen, maar werd gemotiveerd betwist dat hij daarvoor feitelijk ten behoeve van Y BV werkzaamheden had verricht, zodat de kantonrechter terecht geen toepassing aan het wettelijk vermoeden van artikel 7:610a BW heeft gegeven.
Y BV wordt in staat gesteld nader bewijs te leveren dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.