Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Westermann Installatietechniek B.V.
Rechtbank Noord-Nederland, 26 april 2013
ECLI:NL:RBNNE:2013:CA4024

werknemer/Westermann Installatietechniek B.V.

Monteur heeft recht op gunstiger reiskostenvergoeding op grond van CAO voor het Technische Installatiebedrijf. Pakketvergelijking is niet toegestaan

Werknemer is op basis van drie opeenvolgende jaarcontracten werkzaam geweest bij Westermann, laatstelijk in de functie van (hulp)monteur. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Technisch Installatiebedrijf van toepassing verklaard. Ingevolge artikel 44 lid 1 van de cao (betaling van reisuren) is het bepaalde in dat artikel niet van toepassing indien de vergoedingen ter zake reisuren zijn inbegrepen in het salaris, hetgeen moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werkgever, die verstrekt is voordat de vergoeding in de beloning is begrepen. Thans stelt werknemer dat de afwijkende reistijdregeling zoals vastgelegd in artikel G van de arbeidsovereenkomst niet conform artikel 44 lid 1 van de cao in een schriftelijke verklaring is vastgelegd. Hij vordert nakoming van de reiskostenregeling uit de cao, omdat deze regeling voor hem gunstiger is dan de regeling uit de arbeidsovereenkomst. Westermann voert aan dat er bewust voor is gekozen om de reisuren te verdisconteren in de toekenning van een hoger salaris (8% boven het cao-salaris).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast is komen te staan dat de verklaring ex artikel 44 van de cao niet door Westermann is opgesteld. Zoals de Hoge Raad in haar arrest van 14 januari 2000 (NJ 2000, 273) heeft beslist, dient te worden onderzocht of hetgeen ten aanzien van de reisurenvergoeding in de arbeidsovereenkomst is bepaald (8% boven het cao-salaris en de eerste twee gemaakte reisuren voor eigen rekening van werknemer), gunstiger is dan het dienaangaande in de cao bepaalde, zoals door werknemer is gesteld. Het in de arbeidsovereenkomst omtrent het salaris en omtrent de reisuren bepaalde mag niet als één geheel worden beschouwd (HR 14 januari 2000, NJ 2000, 273). Gelet hierop dient het verweer van Westermann dat het cao-salaris van werknemer, vermeerderd met de vergoeding voor gemaakte reisuren over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst bezien, een geringer bedrag opleverde dan zijn salaris op grond van de arbeidsovereenkomst – wat daar verder ook van zij – te worden verworpen.

De Hoge Raad heeft met haar arrest van 24 april 2009 (NJ 2009, 205) een aanvulling op bovenstaand arrest gegeven door te oordelen dat de andersluidende afspraak bij aanvang van de arbeidsovereenkomst als ongeldig moet worden aangemerkt in zoverre deze niet voorziet in een bijkomende vergoeding over de maanden waarin de werknemer beter uit zou zijn geweest met het salaris en de vergoeding die hem ingevolge de cao minimaal zouden toekomen. Gelet hierop kan het Westermann niet baten dat de afwijkende reistijdenregeling zou zijn geaccordeerd door de ondernemingsraad en zou zijn vastgelegd in het bedrijfsreglement, met welk reglement werknemer blijkens de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. Over de maanden januari tot en met juli 2011 heeft werknemer recht op aanvulling van zijn bedongen vergoeding tot het bedrag dat hem volgens de cao minimaal zou toekomen.