Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 2 juli 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:2606
Abvakabo FNV/werknemer
Werknemer is sinds 2009 in dienst van Abvakabo FNV (hierna: Abvakabo) als vakbondsbestuurder. Sinds 28 februari 2012 is hij lid van de ondernemingsraad (OR). Thans verzoekt Abvakabo ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een vertrouwensbreuk. Abvakabo verwijt werknemer dat hij een discussiestuk van het bondsbestuur, dat slechts een rudimentaire opzet voor een campagneplan was, in de werkorganisatie heeft verspreid, wetende dat dit gezien de gevoeligheid van het onderwerp tot grote onrust zou leiden. Daarmee heeft werknemer tevens – bewust – het risico in het leven geroepen dat het stuk naar de pers zou lekken. Bovendien heeft werknemer mevrouw X op onaanvaardbare wijze onder druk gezet, in een poging Abvakabo te bewegen hem alsnog tegemoet te komen met een riante vertrekregeling. Werknemer is sinds 11 april 2013 geschorst.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het beroep op de reflexwerking van het opzegverbod ex artikel 7:670 lid 4 BW (OR-lidmaatschap) faalt, omdat Abvakabo het ontbindingsverzoek niet heeft gebaseerd op de enkele beschuldiging dat werknemer het conceptcampagneplan van het bondsbestuur in de werkorganisatie heeft verspreid. De in het geding gebrachte transcripties van gesprekken worden in de beoordeling betrokken. Dat de gesprekspartners niet vooraf op de hoogte zijn gesteld van het opnemen van de gesprekken, brengt niet mee dat daarvan in dit geding geen gebruik kan worden gemaakt.
Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, en uit bedoelde transcripties, ontstaat het beeld dat Abvakabo – door eerdere negatieve publicaties gevoelig geworden – het na verschijning van het artikel in De Telegraaf werknemer zwaar heeft aangerekend dat hij door de verspreiding van het conceptcampagneplan van het bondsbestuur welbewust het risico had genomen dat het stuk in de openbaarheid zou komen en tot veel ophef zou leiden. Daarbij heeft Abvakabo uit het oog verloren dat op haar ingevolge artikel 21 WOR de verplichting rustte om werknemer als lid van de OR te beschermen tegen benadeling in zijn positie in de onderneming. Werknemer valt te verwijten dat hij zich in het kader van de onderhandelingen over een minnelijke vertrekregeling, heeft bediend van een strategie die zijn positie binnen de vakbond ernstig heeft ondergraven. Toen Abvakabo niet bereid bleek in te stemmen met de voorwaarden waaronder werknemer aan de beëindiging van het dienstverband wilde meewerken, heeft werknemer de druk om hem tegemoet te komen opgevoerd door te speculeren over de negatieve publiciteit die een rechtszaak van Abvakabo over het ontslag van een van haar vakbondsbestuurders en OR-leden teweeg zou brengen. Werknemer wist hoe gevoelig dit aspect voor de vakbond was en heeft moeten voorzien dat dit zijn positie als vakbondsbestuurder zou schaden. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Aan werknemer wordt wel een vergoeding toegekend. Toepassing van de kantonrechtersformule doet in de gegeven omstandigheden, in het bijzonder de leeftijd van werknemer en de betrekkelijk korte duur van het dienstverband, onvoldoende recht aan de zaak. Er wordt naar billijkheid een vergoeding van € 20.000 bruto toegekend.