Rechtspraak
werknemer/Slotervaartziekenhuis
Werknemer is op 1 februari 1996 als medisch specialist in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) het Slotervaartziekenhuis. Volgens een beding in zijn arbeidsvoorwaarden worden (arbeidsrechtelijke) geschillen tussen partijen beslecht door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (hierna: het scheidsgerecht). Werknemer is op en omstreeks 22 maart 2009 betrokken geweest bij de behandeling van een 45-jarige patiënte, die kort nadien is overleden. Hij is daarna door de raad van bestuur van het Slotervaartziekenhuis op non-actief gesteld. Op 3 april 2009 heeft het Slotervaartziekenhuis het scheidsgerecht verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden. Het scheidsgerecht heeft partijen verzocht mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheid tot herstel van vertrouwen in de arbeidsverhouding. Daartoe is door het scheidsgerecht een onderzoekscommissie vastgesteld. (Mede) op basis van het eindrappart van deze commissie is het scheidsgerecht tot de conclusie gekomen dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Werknemer stelt zich op het standpunt dat dit arbitrale vonnis dient te worden vernietigd wegens strijd met de openbare orde (schending equality of arms). Volgens hem was de onderzoekscommissie niet onpartijdig. De rechtbank heeft het vonnis vernietigd. Het hof heeft het oordeel van het scheidsgerecht in stand gelaten, stellende dat het scheidsgerecht niet uitsluitend is afgegaan op de conclusies van de onderzoekscommissie, maar de verstoorde arbeidsverhouding op basis van ‘eigen waarnemingen’ heeft geconstateerd.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het scheidsgerecht heeft onder meer als volgt geoordeeld: ‘4.4 Naar het oordeel van het Scheidsgerecht heeft het onderzoeksrapport ruimschoots voldoende aangetoond dat sprake is van een onherstelbare verstoring van de verhoudingen tussen partijen. (…) Op grond van het vorenstaande en met overneming van de conclusies van het onderzoeksrapport is het Scheidsgerecht van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens wijziging van omstandigheden behoort te worden ontbonden. (…)’ Deze passages laten geen andere lezing toe dan dat het scheidsgerecht voor zijn oordeel grote betekenis heeft toegekend aan het genoemde rapport. Dat wordt niet anders doordat het scheidsgerecht ook eigen overwegingen aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het oordeel van het hof dat de eigen overwegingen van het scheidsgerecht diens oordeel zelfstandig dragen en het rapport daarbij niet bepalend is geweest, is dan ook onbegrijpelijk.