Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 17 juli 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:2855
X/Voegingsbedrijf Y B.V. c.s.
X is werkzaam als zzp’er en werkt in het voegersbedrijf van zijn ouders (hierna: de vennootschap). In 2009 is hem met de bedrijfsauto een eenzijdig ongeval overkomen, waarbij hij ernstig gewond is geraakt. Bij SNS was een ongevallenverzekering voor inzittenden afgesloten (inclusief bestuurder), met een maximum uitkering bij blijvende invaliditeit van € 45.000. Reaal is de verzekeraar van de aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven van de vennootschap. Thans stelt X de vennootschap en Reaal aansprakelijk voor zijn schade. X legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de vennootschap als opdrachtgever van X aansprakelijk is voor de schade die hij als zzp′er heeft geleden bij de uitvoering van de opdracht die hij voor de vennootschap verrichtte. Volgens X was bij de uitvoering van de opdracht voldaan aan de in het arrest Davelaar/Allspan (AR 2012-0275) gestelde voorwaarden waaronder een zzp′er zich kan beroepen op de bescherming van artikel 7:658 lid 4 BW. X verwijt de vennootschap dat zij heeft verzuimd een inzittendenschadeverzekering af te sluiten voor de bedrijfsauto die X bij de uitvoering van de opdracht gebruikte.
De rechtbank oordeelt als volgt. De omstandigheid dat de aansprakelijkheidsvraag een principiële kwestie betreft, zoals Reaal stelt, is geen reden om het verzoek niet aan te merken als een deelgeschil en om die reden af te zien van een inhoudelijke behandeling daarvan. Voor de beoordeling van dit deelgeschil gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit dat het ongeval X is overkomen tijdens werkzaamheden die hij verrichtte ter uitvoering van een opdracht van de vennootschap, in het kader van de bedrijfsvoering van de vennootschap. Dit zou anders kunnen zijn indien moet worden aangenomen dat sprake is van 'zuiver' woon-werk verkeer, althans vervoer dat niet zodanig is vormgegeven dat dit op één lijn is te stellen met vervoer krachtens een arbeidsovereenkomst. Om dit vast te kunnen stellen is nadere bewijslevering nodig. In het navolgende zal de rechtbank ervan uitgaan dat wel sprake is van vervoer dat op één lijn is te stellen met vervoer krachtens een arbeidsovereenkomst.
Anders dan X betoogt, kan in dat geval artikel 7:611 BW echter geen grondslag zijn voor vergoeding van de schade door de vennootschap aan X. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de jurisprudentie op grond waarvan de zzp′er onder omstandigheden een beroep kan doen op de bescherming van artikel 7:658 lid 4 BW, eveneens van toepassing te laten zijn op artikel 7:611 BW. Vastgesteld moet immers worden dat tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst tot opdracht of een aanneemovereenkomst. Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd kan niet gezegd worden dat de verhouding tussen hen zodanig was dat materieel sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Vanwege de verplichting tot ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden op grond van artikel 25 Rv onderzoekt de rechtbank of de uit artikel 6:248 BW voortvloeiende eisen van de redelijkheid en billijkheid grondslag voor de gevorderde schade kunnen vormen. In artikel 7:611 BW wordt namelijk specifiek voor de verhouding tussen werkgever en werknemer verwoordt, wat in algemene zin is bepaald in artikel 6:248 BW. Uit het arrest Davelaar/Allspan kan worden afgeleid dat artikel 7:658 lid 4 BW zich leent voor toepassing indien de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg van zijn veiligheid afhankelijk is van degene voor wie hij de werkzaamheden verricht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het in de arbeidsrechtelijke verhouding tussen werkgever en werknemer, uit oogpunt van goed werknemerschap of de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende eisen, vereist is dat de werkgever zorgt voor een behoorlijke verzekering, indien hij van een werknemer verlangt dat die zich ten behoeve van zijn werk in het verkeer begeeft. Voor beantwoording van de vraag of dit in de contractuele relatie, aangevuld met de eisen van artikel 6:248 BW, tussen de vennootschap en X evenzeer geldt, is onder meer van belang of X ter uitvoering van de opdracht de keuze had om de werkzaamheden in zijn eigen auto uit te voeren, die naar zijn zeggen wel adequaat was verzekerd, of dat hij van de vennootschap de instructie had gekregen om bij uitvoering van de werkzaamheden gebruik te maken van de bedrijfsauto. Voor zover er geen sprake was van een dergelijke instructie is het van belang of X er van op de hoogte kon zijn dat voor de bedrijfsauto geen inzittendenschadeverzekering was afgesloten, zodat hij het risico bij gebruik van de bedrijfsauto kon afwegen. Beantwoording van de hiervoor geformuleerde vragen, vergt nader onderzoek en bewijslevering door X. De deelgeschilprocedure is niet geschikt voor dergelijke bewijslevering, waarvoor wellicht getuigenverhoor noodzakelijk is. Volgt afwijzing van de verzoeken.