Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 juli 2013
ECLI:NL:RBOBR:2013:4193

X/Y

Aansprakelijkheid hoofdaannemer voor schade zzp’er als gevolg van val van steiger. Schadevergoeding die wegens een fout van een verzekeringsadviseur aan zzp’er is toegekend, mag deels worden verrekend met de te vergoeden schade door hoofdaannemer

X (zzp’er) is werkzaam als stukadoor. Tijdens de werkzaamheden is hij van een steiger gevallen. Hij heeft hoofdaannemer Y met succes aansprakelijk gesteld (zie AR 2011-0577). X vordert een verklaring voor recht dat Y aansprakelijk is voor de schade die hij stelt te lijden als gevolg van het letsel dat hij heeft opgelopen bij het ongeval op 26 april 2004, en een veroordeling van Y tot betaling van € 1.237.010,94, vermeerderd met rente en kosten, alsmede een belastinggarantie.

De rechtbank oordeelt als volgt: vaststaat dat het ongeval van 26 april 2004 naast schade voor X ook voordeel heeft opgeleverd in de vorm van een schadevergoeding van € 548.247. Die schadevergoeding houdt verband met het volgende. Kort voor het ongeval had X aan zijn verzekeringsadviseur te kennen gegeven een arbeidsongeschiktheidsverzekering te willen afsluiten bij verzekeraar Nationale Nederlanden. Uit hoofde van deze verzekering zou X periodieke uitkeringen ontvangen indien hij onverhoopt arbeidsongeschikt zou raken voor zijn werk als stukadoor. Door een fout van deze verzekeringsadviseur (een werknemer van RVS) is deze verzekering niet tijdig aangevraagd en is X na het ongeval uitkeringen uit de voorlopige dekking van deze verzekering misgelopen. In verband hiermee heeft X onlangs, na jaren procederen, een schadevergoeding van RVS ontvangen van € 548.247. Deze schadevergoeding kan niet buiten beschouwing worden gelaten. De betaling van RVS ziet namelijk in de kern op dezelfde inkomensschade als waarvoor Y aansprakelijk is, met dien verstande dat Y daarnaast ook aansprakelijk is voor andere schadeposten dan die welke verband houden met het wegvallen van arbeidsinkomen.

Toch komt de rechtbank terug op haar eerdere beslissing om de betaling volledig te verrekenen. De procedure in eerste aanleg tegen RVS is gevoerd op kosten van Y. Partijen spraken af dat indien X de procedure tegen RVS zou winnen, X de helft van de kosten zou terugbetalen aan Y en dat de helft van de opbrengst dan zou worden verrekend met de door Y aan X te betalen schadevergoeding. Nadat X in eerste aanleg in het ongelijk werd gesteld, zag Y geen heil meer in de zaak en was zij niet meer bereid bij te dragen in de kosten van hoger beroep. X heeft de procedure tegen RVS vervolgens zelfstandig en op eigen kosten voortgezet en is uiteindelijk in hoger beroep in het gelijk gesteld. Gezien deze gang van zaken acht de rechtbank het niet redelijk het volledige bedrag van € 548.247 voor verrekening in aanmerking te brengen. De rechtbank is van oordeel dat de redelijkheid meebrengt dat van hetgeen na aftrek van de kosten van de betaling door RVS overblijft, te weten € 486.873,17 (€ 548.247 minus het kostenbedrag van € 61.373,83) slechts een bedrag van € 243.000 met toepassing van artikel 6:100 BW wordt verrekend met de door Y te vergoeden inkomensschade, waaronder de rechtbank verstaat de schade wegens verlies van verdienvermogen en verlies van neveninkomsten (zwart werk). De rechtbank oordeelt voorts over de verschillende schadeposten die door X zijn aangevoerd. Voor recht wordt verklaard dat Y aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval. De gevraagde veroordeling van Y tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat de schade van X niet volledig is gedekt door de voorschotten ad € 100.000 die hij van Y heeft ontvangen en het hier in aanmerking te nemen (deel)bedrag ad € 243.000 dat hij van RVS heeft ontvangen.