Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 juli 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:3329
werknemer/’t Oude Tolhuys B.V.
Werknemer (45 jaar) is op 1 februari 1993 in dienst van Tantes Bistro BV, een zustervennootschap van Tolhuys, getreden. Hij is op 1 januari 1999 in dienst van Tolhuys getreden. Thans verzoekt werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werknemer is werkzaam geweest als bedrijfsleider. In 2011 zijn plannen ontwikkeld voor participatie van werknemer in de onderneming tegen een investering door werknemer, waarbij werknemer als opvolger van X werd gezien. In maart 2012 heeft X plotseling de gevorderde onderhandelingen met werknemer afgebroken en heeft gekozen voor het afstoten van een restaurant uit de groep. Nadien is de verhouding volgens werknemer zodanig verslechterd – met name als gevolg van het uithollen van zijn functie – dat sprake is van een onwerkbare situatie. Werknemer verzoekt een vergoeding met C=2 toe te kennen en uit te gaan van twintig dienstjaren. Tolhuys verzoekt ontbinding zonder toekenning van een vergoeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan Tolhuys in het verweerschrift heeft aangevoerd, heeft werknemer zijn verzoek niet gebaseerd op het vastlopen van de onderhandelingen. De kern van het conflict ligt wat werknemer betreft in de nadien volgens hem opgetreden andere houding jegens hem van X, de directeur van Tolhuys, die neerkwam op het ineens uiten van afbrekende kritiek op zijn functioneren zonder inhoudelijk overleg om tot verbetering te komen en op het uithollen van zijn functie door het afnemen van taken ten gunste van de dochter van X, die de bevoegdheid kreeg de werkzaamheden van werknemer te roosteren. Dat roosteren gebeurde op zo’n manier, aldus werknemer, dat hij zijn werk als manager niet meer kon doen. De kantonrechter concludeert dat, zo er al sprake is geweest van een tekortschieten van werknemer in zijn arbeidsrelatie met Tolhuys vanaf maart 2012, Tolhuys daarop heeft gereageerd op een escalerende en niet op verbetering gerichte wijze en dat dit uiteindelijk zelfs tot een geheel onterechte formele degradatie van werknemer heeft geleid. Het ontbindingsverzoek wordt toegewezen. Aan werknemer wordt een vergoeding toegekend. De A-factor wordt vastgesteld op twintig gewogen dienstjaren, uitgaande van de indiensttreding op 1 februari 1993 bij een zustervennootschap van Tolhuys. Dit is in dit geval gerechtvaardigd nu het destijds ging om een overstap op verzoek van de eigenaar van beide zustervennootschappen aan werknemer. De C-factor wordt vastgesteld op 1,4 (€ 90.000 bruto).