Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 31 juli 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:6051
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 1965 in dienst, laatstelijk in de functie van procuratiehouder. De onderneming werd gedreven door zijn broer X, die is overleden. De erfgenamen van X hebben werknemer vrijgesteld van werkzaamheden en de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd tegen 1 november 2012. Werknemer heeft zich op de vernietigbaarheid van de opzegging beroepen, omdat hij ziek is. Na de constatering dat het bedrijfspand is ontruimd, is werknemer op 11 september 2012 op staande voet ontslagen. De arbeidsovereenkomst is voorwaardelijk ontbonden per 1 januari 2013 onder toekenning van een vergoeding van € 325.000 bruto. Tussen partijen is thans onder meer in geschil of er reden was om tot non-actiefstelling over te gaan en of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Door de ontstane spanningen behoorde een nuttige en zinvolle samenwerking niet meer tot de mogelijkheden. Het stond werkgeefster vrij het procuraat van werknemer in te trekken en werknemer vrij te stellen van werkzaamheden. In de omstandigheden van dit geval, waarbij werknemer feitelijk de onderneming dreef, verhuurder was van het bedrijfspand, binnen het dienstverband een eigen onderneming exploiteerde, waarbij in sommige gevallen beheersactiviteiten door werkgeefster werden uitgevoerd en, zoals hij zelf stelt, ‘het gezicht’ van de onderneming was, rustte op hem een verdergaande verantwoordelijkheid jegens zijn werkgeefster dan een werknemer waarbij voornoemde omstandigheden zich niet voordoen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer de belangen van werkgeefster volledig uit het oog verloren op het moment dat hij, wegens kennelijke onenigheid met de erfgenamen van zijn broer, zonder aankondiging of overleg tot ontruiming van het pand is overgegaan. De omstandigheid dat de bedrijfsvoering ook uit andere vestigingen kon worden voortgezet, doet daaraan niet af. Het is immers niet aan werknemer om te bepalen waar werkgeefster haar bedrijfsactiviteiten dient uit te voeren. Werknemer had zich dienen te richten op het belang van werkgeefster – dat wil zeggen de rechtspersoon – ook in de omstandigheid dat door erfopvolging hij te maken kreeg met nieuwe, maar hem reeds bekende aandeelhouders en bestuurders van de onderneming. Nu geen bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn gesteld of gebleken, wordt geoordeeld dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Volgt afwijzing van de vordering.