Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Domijn/erfgenamen van werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 juli 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:5392

Stichting Domijn/erfgenamen van werknemer

Erfgenamen hebben geen recht op ontbindingsvergoeding ondanks formele rechtskracht ontbindingsbeschikking, nu de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd krachtens artikel 7:674 BW na ontbindingszitting, maar voor beëindigingsdatum

(Zie ook AR 2010-0751: executie ontbindingsbeschikking leidt tot misbruik van bevoegdheid.) Werknemer is op 1 juni 1983 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Domijn. Wegens het functioneren van werknemer heeft Domijn in juni 2009 te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Na overeenstemming hebben partijen een pro-formaontbindingsverzoek ingediend bij de Kantonrechter Enschede, waarbij de ontbindingsdatum is bepaald op 1 april 2010 met toekenning van een vergoeding ad € 66.000. De beschikking is op 31 augustus door de kantonrechter afgegeven. Op 30 december 2009 is werknemer overleden. Domijn heeft voor de erven van werknemer diverse financiële voorzieningen getroffen krachtens de cao. De erfgenamen hebben onder meer gevorderd dat Domijn wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 65.952 bruto, primair op grond van de tussen partijen (erflater en Domijn) gesloten beëindigingsovereenkomst en subsidiair op grond van de door de kantonrechter afgegeven ontbindingsbeschikking. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Domijn wordt gevolgd in haar stelling en uitleg, dat met het doorlopen van de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst de tussen erflater en Domijn overeengekomen afspraken over het einde van arbeidsovereenkomst (via de kantonrechter, per 1 april 2010 en tegen een vergoeding van bruto € 65.952) waren ‘uitgewerkt’. Anders gezegd: erflater en Domijn hebben hiermee uitvoering gegeven aan hun (mondelinge) beëindigingsovereenkomst en zij zijn in die zin hun afspraken ook nagekomen. Nakoming verlangen van de beëindingsovereenkomst is derhalve zinledig, omdat erflater en Domijn die overeenkomst al hébben nageleefd. Daarmee strandt de primaire grondslag van de vordering van de erfgenamen.

Wat de subsidiaire grondslag betreft, oordeelt het hof dat de door de kantonrechter toegewezen ontbindingsvergoeding onlosmakelijk verbonden is met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010. Voorts blijkt dat ook (de belangenbehartigers van) erflater en Domijn zich bewust waren van de consequenties van deze keuze voor ontbinding en een ontbindingsvergoeding: de ontbindingsvergoeding zou en diende betaald te worden op het moment van eindigen van de arbeidsovereenkomst, ‘derhalve per 1 april 2010’. Door het (onverwacht) overlijden van erflater op 30 december 2009 is echter de arbeidsovereenkomst van rechtswege (en eerder) geëindigd op de voet van artikel 7:674 lid 1 BW. Door het eindigen van de arbeidsovereenkomst op 30 december 2009 kan er logischerwijze ook geen sprake meer zijn van ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010 en kunnen de erfgenamen ook geen aanspraak maken op de ontbindingsvergoeding. Dat de beschikking van de kantonrechter tussen erflater en Domijn (inmiddels) gezag van gewijsde had gekregen, doet aan het voorgaande niets af. Het goed werkgeverschap dwingt evenmin tot een ander oordeel.