Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 31 juli 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:5958

werkgever/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst teamleider na onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling voor poging tot moord op zijn partner. Misdrijf houdt geen verband met werk. Geen vergoeding, ondanks dienstverband van bijna dertig jaar

Werknemer is sinds 1984 in dienst, laatstelijk als teamleider. Op 26 juni 2012 heeft werkgever vernomen dat de werknemer in voorarrest is genomen in verband met een verdenking van een poging tot moord op zijn partner. Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam is werknemer op 19 februari 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzondere voorwaarde dat werknemer zich binnen vijf werkdagen na zijn vrijlating zal melden bij de reclassering te Roermond om zich te laten begeleiden en dat hij zich laat behandelen door een forensisch psychiatrische polikliniek in Nederland of Duitsland. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, waardoor het onherroepelijk is geworden. Thans verzoekt werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Kennelijk heeft werkgever de ontstane situatie kort na het plegen van het misdrijf en tot geruime tijd na het veroordelende vonnis niet als dermate dringend aangemerkt dat werknemer op staande voet is ontslagen. Die benadering wordt in casu juist geacht, nu het misdrijf zich heeft afgespeeld in de privésfeer. Dat er verband bestaat tussen de financiële problemen van werknemer en het misdrijf en er in het verleden loonbeslag is gelegd, betekent niet dat er een verband is tussen het misdrijf en de werkzaamheden. Dat terugkeer op de werkvloer onmogelijk is, gelet op de weerstand en emoties in het bedrijf van werkgever, is gelet op de periode waarin werknemer in detentie moet verblijven, de komende twee jaren niet aan de orde. De omstandigheid dat werkgever gebruik maakt van het coördinatiecentrum voor de gehele Rotterdamse haven levert geen dringende reden op, nu werknemer voorlopig niet zal terugkeren op de werkvloer. Geoordeeld wordt dat er onvoldoende grond is voor ontbinding wegens een dringende reden. Daarbij wordt ook meegewogen dat werknemer bij beëindiging wegens een dringende reden geen WW-uitkering zal ontvangen. Wel wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens veranderingen in omstandigheden. Werknemer zal lange tijd geen arbeid kunnen verrichten. Of werknemer na zijn detentie weer werkzaamheden zal kunnen verrichten, is nog ongewis. Te verwachten valt dat bij aanvang van de werkzaamheden niet voldoende draagvlak zal bestaan voor werknemer om goed te kunnen functioneren. Dit wordt werknemer in overwegende mate toegerekend. Geoordeeld wordt dat de belangen van werkgever bij ontbinding zwaarder wegen dan de belangen van werknemer bij continuering van het dienstverband. Nu werkgever geen verwijt valt de maken van de ontstane situatie, is er geen aanleiding aan werknemer een vergoeding toe te kennen.