Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 augustus 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:6819
ex-werknemers/Coöperatie Univé Stad en Land B.A.
Ex-werknemers zijn in 2007 met vervroegd pensioen gegaan. De pensioentoezegging is uitgewerkt in het toepasselijke pensioenreglement, genaamd Het Flexibel Waardevast Pensioen voor de werknemers van Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Univé Het Platteland B.A. (verder: het pensioenreglement). In artikel 12 van dit reglement staat het volgende opgenomen: ‘De werkgever streeft ernaar ingegane pensioenen en premievrije aanspraken van gewezen deelnemers aan te passen aan de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer van het CBS, doch ten hoogste tot 3%. De hoogte van de aanpassing wordt jaarlijks door de werkgever aan de verzekeraar opgegeven.’ Bij brief van 25 oktober 2010 hebben ex-werknemers jegens Univé aanspraak gemaakt op de schade die zij stellen te hebben geleden in de vorm van gemis aan indexatie van hun pensioenuitkering.
Het hof oordeelt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of artikel 12 van het pensioenreglement aan ex-werknemers een voorwaardelijk dan wel een onvoorwaardelijk recht op indexatie van pensioenen toekent, gaat het om de uitleg van het pensioenreglement. Daarbij gaat het niet om de uitleg van bepalingen van een pensioenreglement in de verhouding tussen een werknemer en de pensioenuitvoerder, in welke verhouding in beginsel dient te worden uitgegaan van toepassing van de zogenaamde cao-norm. In dit geval gaat het om de uitleg van het pensioenreglement in de verhouding tussen een werkgever en (een) gepensioneerde(n) in een situatie dat het pensioenreglement deel uitmaakte van de (destijds) tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. In een dergelijke situatie ligt het eerder voor de hand aansluiting te zoeken bij de zogenaamde Haviltex-norm. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bestaat tussen de cao-norm en de Haviltex-norm geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang. Dit heeft enerzijds tot gevolg dat ook bij toepassing van de Haviltex-norm geldt dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd, de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift niet kunnen kennen, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de cao-norm niet tot een louter taalkundige uitleg. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van doorslaggevende betekenis. De uitleg dient dan ook niet plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het geschrift is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. In artikel 12 van het pensioenreglement is vermeld dat de werkgever ernaar streeft de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken van gewezen deelnemers aan te passen aan de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer van het CBS, doch ten hoogste tot 3% per jaar. Het hof is van oordeel dat het woord ‘streeft’ eerder duidt op een verplichting van de werkgever zich te zullen inspannen een aanpassing aan de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer te realiseren, dan dat het een onvoorwaardelijk recht op indexatie inhoudt.